ECLI:NL:CRVB:2025:1363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 66,98% door UWV
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage door het UWV op 66,98% per 7 november 2020. Hij stelt dat hij meer medische beperkingen heeft dan aangenomen, waardoor hij niet geschikt zou zijn voor de geselecteerde functies. Na een zorgvuldig medisch onderzoek, inclusief een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidskundig onderzoek, heeft het UWV besloten de uitkering toe te kennen.
De rechtbank Oost-Brabant heeft het bezwaar van appellant eerder ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. Appellant heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft, onder meer vanwege chronische rugklachten, hartproblemen en hernia’s vastgesteld in Turkije. De Centrale Raad van Beroep heeft deze gronden onderzocht en het medisch onderzoek van het UWV als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beoordeeld.
De Raad concludeert dat de beperkingen die het UWV heeft aangenomen, waaronder beperkingen ten aanzien van fysieke belasting en werktijden, juist zijn vastgesteld op basis van medische informatie van Nederlandse behandelaars en eigen onderzoek. Nieuwe medische ingrepen na de datum in geding, zoals een bypassoperatie in 2023, beïnvloeden de beoordeling van de situatie per 7 november 2020 niet. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en laat het arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,98% ongewijzigd. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De toekenning van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant op 7 november 2020 terecht is vastgesteld op 66,98%.