ECLI:NL:CRVB:2025:1366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om toekenning van een Wajong-uitkering, welke door het UWV in 2013 werd afgewezen omdat hij geacht werd meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Na een nieuwe aanvraag in 2023 en daaropvolgende bezwaarprocedure bleef het UWV bij haar standpunt. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herbeoordeling rechtvaardigen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn lichamelijke en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, wat zou leiden tot schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de aangeleverde medische stukken geen nieuwe feiten bevatten en dat de beperkingen van appellant niet waren toegenomen binnen de relevante periode van vijf jaar na zijn achttiende verjaardag.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht niet is teruggekomen op het eerdere besluit. Ook de door appellant aangevoerde nieuwe medische rapporten en het gebruik van een scootmobiel betroffen niet de relevante periode voor de Wajong-toekenning. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of toegenomen arbeidsongeschiktheid.