Uitspraak
28 januari 2025, 24/1866
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De Raad heeft appellante meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €143,- binnen gestelde termijnen. Ondanks herinneringen en aanmaningen is het griffierecht niet betaald.
Daarnaast bevatte het ingediende beroepschrift geen gronden, terwijl dit volgens de Algemene wet bestuursrecht verplicht is. Appellante is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om deze gronden alsnog in te dienen, inclusief een verlenging van de termijn, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
De Raad heeft ook nogmaals een laatste termijn gesteld voor het indienen van de beroepsgronden, maar deze brief is niet afgehaald en opnieuw verzonden, waarna appellante wederom niet heeft gereageerd. Er zijn geen verontschuldigingen voor deze verzuimen gebleken.
Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.