ECLI:NL:CRVB:2025:1403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand sinds maart 2020 en stond sinds oktober 2022 met haar zoon ingeschreven op het uitkeringsadres. Het college stelde na onderzoek vast dat appellante in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op dat adres en trok de bijstand in en vorderde deze terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, wijzend op inschrijving in de BRP, sleuteloverdracht en inrichting van de woning. Zij stelde dat het centrum van haar maatschappelijk leven in de woonplaats lag en dat zij ook huishoudelijke activiteiten op het uitkeringsadres verrichtte.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellante niet op het uitkeringsadres lag, gebaseerd op concrete feiten zoals huisbezoeken, verklaringen van buren en laag elektriciteitsverbruik. De door appellante overgelegde stukken en verklaringen konden dit niet weerleggen. De Raad verwierp het hoger beroep en bevestigde de intrekking en terugvordering van bijstand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.