ECLI:NL:CRVB:2025:1408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en bevestiging van de mate van arbeidsongeschiktheid op 46,45% in WIA-uitkering
Appellant betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 46,45% per 30 september 2022, stellende dat zijn psychische en lichamelijke klachten, waaronder rugklachten en astma, onvoldoende in aanmerking waren genomen. Na een eerdere vernietiging van een besluit door de rechtbank Amsterdam, nam het UWV een nieuw besluit (bestreden besluit 2) waarbij de arbeidsongeschiktheid opnieuw werd vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende medische en arbeidskundige gronden had voor het nieuwe besluit. De verzekeringsarts had beperkingen adequaat in een Functionele Mogelijkhedenlijst vastgelegd, en de arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. De Raad verwierp de argumenten van appellant dat functies ongeschikt zouden zijn vanwege verhoogd persoonlijk risico of taaleisen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Hierdoor blijft de vaststelling van 46,45% arbeidsongeschiktheid en de bijbehorende WIA-uitkering in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 september 2025.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant 46,45% arbeidsongeschikt is en verklaart het beroep tegen het nieuwe UWV-besluit ongegrond.