Uitspraak
20 juni 2024, 21/1330 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, vertegenwoordigd door zijn vader, heeft op 4 augustus 2024 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat volgens artikel 6:5 Awb Pro vereist is. De Raad heeft appellant bij brief van 12 augustus 2024 verzocht de gronden binnen vier weken te herstellen.
Vervolgens heeft de vader van appellant op 9 september 2024 uitstel gevraagd, dat bij brief van 20 september 2024 werd verleend met een termijn van vier weken. Deze termijn is ongebruikt verstreken zonder dat de gronden werden ingediend. Er zijn geen verontschuldigingen voor het verzuim gebleken.
De Raad heeft daarom het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 januari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.