ECLI:NL:CRVB:2025:1419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na toegenomen klachten en WIA-beoordeling bevestigd
Appellant was sinds 25 september 2017 ziekgemeld en kreeg na afloop van de wachttijd geen WIA-uitkering vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, maar wel een Werkloosheidswetuitkering. Na melding van toegenomen knieklachten in januari 2021 onderzocht het UWV de situatie opnieuw en concludeerde dat appellant geschikt bleef voor eerder geselecteerde functies. De Ziektewetuitkering werd per 22 februari 2021 beëindigd.
Appellant voerde aan dat hij door zijn medische beperkingen niet in staat was de WIA-functies te verrichten, met name vanwege psychische klachten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de psychische klachten geen nieuwe beperkingen opleverden die de geschiktheid voor de functies aantasten. Het UWV heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, en de rechtbank heeft dit bevestigd.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de beëindiging van de Ziektewetuitkering terecht was. De Raad stelde dat ondanks toegenomen knieklachten de belastbaarheid van appellant niet zodanig was gewijzigd dat hij ongeschikt werd voor de eerder vastgestelde functies. Ook werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al was het primaire onderzoek door een verzekeringsarts in opleiding gedaan. Het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel over de medische beoordeling.
De Raad concludeerde dat de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 22 februari 2021 in stand blijft en dat appellant geen proceskostenvergoeding krijgt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering van appellant terecht per 22 februari 2021 heeft beëindigd.