ECLI:NL:CRVB:2025:1434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, die zich ziekmeldde na een arbeidsongeval met rechterduimletsel, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast en selecteerden passende functies, maar concludeerden dat appellant niet arbeidsongeschikt genoeg was voor een uitkering.
Appellant stelde dat zijn mentale en fysieke klachten onvoldoende waren meegewogen, waardoor de geselecteerde functies niet geschikt zouden zijn. De rechtbank oordeelde echter dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was om aan de medische beoordeling te twijfelen. De rechtbank verwierp het standpunt van appellant over mentale klachten vanwege gebrek aan medische onderbouwing.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat appellant onvoldoende nieuwe medische stukken had aangeleverd om het oordeel te weerleggen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.