Uitspraak
19 december 2024, 23/5155
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De Centrale Raad van Beroep heeft appellante tweemaal schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €143,- binnen de gestelde termijnen. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet betaald.
De Raad oordeelt dat appellante in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen zonder inhoudelijke behandeling van het geschil.
De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier A. Giesen. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.