ECLI:NL:CRVB:2025:1444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens blijvende geschiktheid voor geselecteerde functies bevestigd
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich in maart 2020 ziek. Na een WIA-beoordeling weigerde het UWV een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar wel geschikt voor andere functies zoals productiemedewerker en monteur.
Na nieuwe ziekmeldingen en medische beoordelingen kende het UWV een Ziektewet-uitkering toe, die het later beëindigde per 2 maart 2023 en 5 december 2023, omdat appellant volgens verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen geschikt bleef voor de geselecteerde functies. Appellant voerde aan dat zijn fysieke en mentale beperkingen, mede door een auto-ongeluk, zwaarder wogen dan vastgesteld.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid juist was vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat de Functionele Mogelijkhedenlijst geen realistisch beeld gaf en dat aanvullende medische rapporten nodig waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende nieuwe feiten of medische informatie aanvoerde die tot een ander oordeel konden leiden. Het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de ZW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 2 maart 2023 en 5 december 2023 wordt bevestigd.