Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uwv om hem een WIA-uitkering toe te kennen per 2 februari 2021, omdat hij volgens het Uwv minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het Uwv. Appellant stelde in hoger beroep dat hij meer beperkingen had dan aangenomen, onder meer door slaapapneu die zijn beroepsmatig vervoer zou beperken.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke deskundige die een uitgebreid medisch en arbeidskundig onderzoek uitvoerde. De deskundige concludeerde dat de beperkingen van appellant op de datum in geding plausibel zijn zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst, en dat er onvoldoende bewijs is voor een urenbeperking vanwege obstructief slaapapneusyndroom (OSAS) op die datum.
De Raad volgde het oordeel van de deskundige en het Uwv, en verwierp het standpunt van appellant dat hij niet in staat zou zijn de geselecteerde functies te vervullen. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit terecht in stand blijft. Wel werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant, omdat de medische en arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep toereikend werd aangeleverd.