ECLI:NL:CRVB:2025:1458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag voor uit huis geplaatste kinderen wegens onvoldoende onderhoudsbewijs
Appellant heeft kinderbijslag aangevraagd voor zijn twee uit huis geplaatste kinderen over de periode van het vierde kwartaal 2020 tot en met het vierde kwartaal 2022. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende bijdraagt aan het onderhoud van de kinderen, die niet tot zijn huishouden behoren.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat de door appellant overgelegde aankoopbonnen en lijsten van kleding en spullen onvoldoende verband hielden met het onderhoud van de kinderen. Ook de pinbonnen van contante geldopnames boden geen bewijs dat het geld daadwerkelijk voor de kinderen werd gebruikt.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel degelijk een bijdrage leverde die hoger was dan € 440 per kind per kwartaal, en dat zijn bijdrage groter was dan die van de moeder. De Raad heeft dit beroep beoordeeld en geoordeeld dat appellant niet op een voor de Svb controleerbare wijze heeft aangetoond dat hij de kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden.
De Raad neemt de overwegingen van de rechtbank over en bevestigt het bestreden besluit. Hoewel appellant pogingen heeft gedaan om via tussenpersonen kleding en spullen aan de kinderen te geven, is onduidelijk welke waarde deze vertegenwoordigen. Daarnaast waren sommige bonnen niet voor de kinderen bestemd. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van kinderbijslag blijft in stand vanwege onvoldoende bewijs van onderhoud.