AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in zaak sociale verzekeringsbank
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, vertegenwoordigd door hun gemachtigde advocaat. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat een vereiste is volgens artikel 6:5 AwbPro in samenhang met artikel 6:24 AwbPro.
De Raad heeft appellanten herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om alsnog de beroepsgronden in te dienen, onder meer via e-mails, telefoongesprekken en aangetekende brieven met termijnen. Deze termijnen zijn door appellanten ongebruikt verstreken, ondanks meerdere herinneringen en toezending van bewijzen dat de brieven zijn verzonden.
Er is geen reden gebleken die het verzuim van appellanten kan verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat, met griffier A. Giesen, op 7 oktober 2025. Tegen deze uitspraak is verzet mogelijk binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet benutten van de gestelde termijnen.
Uitspraak
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
24/1057 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024, 23/5863
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
OVERWEGINGEN
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 vanPro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het op 2 mei 2024 ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
De gemachtigde van appellanten heeft via e-mailbericht van 17 juli 2024 laten weten tot op die dag nog geen herstel verzuim brief voor de gronden van het hoger beroep te hebben ontvangen.
Naar aanleiding van deze e-mail heeft de Raad diezelfde dag telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van appellanten en laten weten dat de brief spoedig verzonden zal worden. Voorts is de gemachtigde van appellanten bij brief van 17 juli 2024 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken de gronden voor het hoger beroep in te dienen.
De gemachtigde van appellanten heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 27 augustus 2024 is aan de gemachtigde van appellanten nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De gemachtigde van appellanten heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij e-mailbericht van 14 september 2024 heeft de gemachtigde van appellanten laten weten nog steeds geen herstel verzuim brief te hebben ontvangen.
De aangetekende brief van 27 augustus 2024 is op 16 september 2024 bij de Raad retour binnengekomen met de mededeling dat deze niet is afgehaald.
Op 2 oktober 2024 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen de Raad en de gemachtigde van appellanten. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de gemachtigde bij e-mailberichtenvan 2 oktober en 23 oktober 2024, alsmede bij brieven van 25 december 2024 en 26 maart 2025, de Raad naar de stand van zaken gevraagd aangezien gemachtigde nog steeds geen herstel verzuim brieven heeft ontvangen.
Ingevolge het verzoek van gemachtigde van 26 maart 2025 heeft de Raad op 27 juni 2025, zowel per post als per e-mail, alle bewijzen opgestuurd waaruit blijkt dat de brief van de Raad van 27 augustus 2024 per post op het kantoor van gemachtigde is bezorgd, dan wel niet is afgehaald. Het betreft stukken van PostNL inhoudende de zendingsgegevens, verzendstatus en verzendstatusinformatie van het pakket.
De Raad heeft vervolgens niets meer van de gemachtigde van appellanten vernomen. Het hogerberoepschrift bevat geen gronden en de termijn voor het indienen van de gronden is niet benut en inmiddels verstreken.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2025.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.