Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1480

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
24/1799 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. Zij werden meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €138,- binnen een bepaalde termijn. Ondanks herinneringen en aanmaningen is het griffierecht niet betaald.

De gemachtigde van appellanten heeft zich in september 2024 onttrokken, waarna de Raad nogmaals een nota stuurde aan appellanten zelf. Een aangetekende herinnering in juli 2025 werd niet afgehaald, waarna de brief per gewone post werd verzonden met de mededeling dat de termijn voor betaling niet opnieuw was gestart.

De Raad concludeert dat appellanten in verzuim zijn en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 oktober 2025
24/1799 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
26 juli 2024, 24/2669 en 24/2670
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] , beiden uit [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Marcus, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 7 augustus 2024 is de gemachtigde van appellanten erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 7 september 2024 is de gemachtigde van appellanten nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellanten er rekening mee moeten houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
In verband met het feit dat mr. Marcus zich via e-mailbericht van 11 september 2024 heeft onttrokken als gemachtigde, is op 16 juni 2025 een nieuwe nota verzonden naar het adres van appellanten. Daarbij is medegedeeld dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd en dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Een herinnering van het te betalen griffierecht is op 17 juli 2025 aangetekend naar het adres van appellanten verzonden. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellanten er rekening mee moeten houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De aangetekend verzonden brief van 17 juli 2025 is op 13 augustus 2025 retour binnengekomen bij de Raad, omdat deze (volgens de sticker op de enveloppe) niet is afgehaald. De Raad heeft diezelfde dag de brief van 17 juli 2025 nogmaals naar het adres van appellanten verzonden, ditmaal per gewone post, met de mededeling dat met de nieuwe toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen voor het betalen van het griffierecht.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellanten niet in verzuim zijn geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2025.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.