Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar per 30 september 2019 en 26 november 2019 geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Zij stelt dat zij meer beperkingen heeft dan door het UWV is aangenomen en kan de geselecteerde functies niet vervullen. Het UWV baseerde zich op medische en arbeidskundige onderzoeken, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en deskundigenrapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en de beroepen tegen latere besluiten ongegrond. Appellante voerde aan dat de verzekeringsarts ten onrechte geen beperkingen aannam voor medicatiebijwerkingen en urenbeperking. Zij bracht een eigen medisch rapport in, maar de Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die de belastbaarheid op de data in geding onderzocht en concludeerde dat de beperkingen beperkt waren en geen volledige arbeidsongeschiktheid bestond.
De deskundige nam aanvullende beperkingen aan, maar geen urenbeperking. De Raad volgde deze deskundige en oordeelde dat het UWV terecht geen WIA-uitkering toekende. De Raad verwierp de stellingen van appellante over onzorgvuldig onderzoek en onvoldoende onderbouwing. Het hoger beroep werd afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
De uitspraak bevestigt dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige zwaarwegend is en dat medische beperkingen objectief moeten worden vastgesteld. De Raad benadrukt dat subjectieve klachten zonder medische onderbouwing niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.