ECLI:NL:CRVB:2025:1495

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
23/2126 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 8:113 lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling arbeidsongeschiktheid WIA met aanscherping werktijdenbeperking

Appellante, die sinds 2016 een WIA-uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid, betwistte de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 57,96% per 5 januari 2021. Zij stelde dat haar beperkingen, met name door cognitieve en vermoeidheidsklachten na intensieve chemotherapie, onderschat waren en dat een verdere urenbeperking noodzakelijk was.

De rechtbank Rotterdam had het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep stelde een onafhankelijke verzekeringsarts aan om de medische situatie te beoordelen. Deze deskundige concludeerde dat appellante maximaal 30 uur per week en 6 uur per dag belastbaar is, waarbij na drie uur aaneengesloten werk twee uur rust noodzakelijk is.

De Raad volgde het deskundigenrapport, oordeelde dat het UWV het besluit onvoldoende had gemotiveerd en vernietigde het bestreden besluit. Het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de aangescherpte beperkingen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van appellante.

Uitkomst: Het besluit van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 januari 2021 wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van een aangescherpte urenbeperking.

Uitspraak

23/2126 WIA
Datum uitspraak: 8 oktober 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2023, 22/3031 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 januari 2021 terecht heeft vastgesteld op 57,96%. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt de door hem benoemde deskundige en komt tot de conclusie dat appellante op 5 januari 2021 meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. Het Uwv moet opnieuw beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft verzekeringsarts M. Roos-Vervoort als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 7 oktober 2024 gerapporteerd. Naar aanleiding van de reactie van partijen, heeft de deskundige op 22 april 2025 nader gerapporteerd. Partijen hebben daarop gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als relatiebeheerder/consultant voor 40 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 29 augustus 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80,24%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 29 juli 2018 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij appellante onverminderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 maart 2021. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante onvoldoende functies kunnen selecteren om tot een theoretische verdiencapaciteit van meer dan 20% te komen. Gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante bij besluit van 8 maart 2021 ongewijzigd voortgezet.
1.3.
Bij besluit van 24 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de exwerkgever van appellante tegen het besluit van 8 maart 2021 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 januari 2021 vastgesteld op 57,96%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil is beperkt tot de urenbeperking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat een urenbeperking van 32 uur geïndiceerd is. De rapporten van verzekeringsarts E.C. van der Eijk hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante zijn de uit haar intensieve chemotherapie voortkomende cognitieve en vermoeidheidsklachten onderschat en had een verdergaande urenbeperking moeten worden aangenomen. Appellante heeft gesteld dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bovendien inconsistent is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de door haar in beroep ingebrachte rapporten van verzekeringsarts Van der Eijk. Omdat uit die rapporten blijkt van ten opzichte van de verzekeringsarts bezwaar en beroep beredeneerd afwijkende bevindingen, had de rechtbank volgens appellante een onafhankelijk deskundige moeten benoemen. Zij heeft de Raad verzocht om dit alsnog te doen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 57,96% terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Tussen het Uwv en appellante bestaat verschil van inzicht over de vraag welke beperkingen voor haar in verband met haar lichamelijke en psychische klachten per datum in geding moeten gelden. Met name gelet op het van de verzekeringsarts bezwaar en beroep afwijkende standpunt van medisch adviseur Van der Eijk over de urenbeperking, heeft de Raad het noodzakelijk geacht te worden geadviseerd door een onafhankelijke verzekeringsarts en daarom verzekeringsarts Roos-Vervoort als deskundige benoemd. De deskundige heeft geconcludeerd dat er een medische grond is voor het aanscherpen van de energetische beperkingen van appellante. Appellante is zes uur per dag en maximaal 30 uur per week belastbaar. De deskundige heeft deze conclusie gebaseerd op het dagverhaal van appellante bij de primaire beoordeling, de hoorzitting in bezwaar en op haar huidige belastbaarheid. Appellante is in staat gebleken haar huidige werk in meer of mindere mate drie uur per dag te kunnen verrichten. Daarbij heeft de deskundige toegelicht dat appellante na drie uur aaneengesloten werk, twee uur rust kan nemen en daarna nogmaals drie uur kan werken. Als appellante zich daaraan houdt, wordt haar energetische belastbaarheid niet overschreden en heeft zij voldoende recuperatiemogelijkheden. De deskundige heeft toegelicht dat dit ook overeenkomt met het toenmalige en huidige dagverhaal van appellante met daarin verschillende activiteiten. Naar aanleiding van de reacties van partijen op het deskundigenrapport heeft de deskundige op 22 april 2025 nader gerapporteerd en deze conclusies en toelichtingen gehandhaafd.
4.3.
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft dossierstudie verricht, appellante op 29 augustus 2024 onderzocht en de beschikbare medische gegevens uit het dossier bij de beoordeling betrokken.
4.4.
Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op het deskundigenrapport en de aanvulling daarop van 22 april 2025 heeft gesteld, vormt geen reden om de deskundige niet te volgen in haar conclusies. De deskundige heeft gemotiveerd toegelicht waarom wat appellante in bezwaar tegenover de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verklaard over haar slaapmomenten overdag niet als voldongen en vaststaand feit moet worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat bij de urenbeperking van 30 uur per week een zekere marge tot 32 uur per week moet worden gehanteerd. De deskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom 30 uur per week voor appellante het maximum is. Het is verder onjuist dat bij een dergelijke urenbeperking altijd een zekere marge moet worden gehanteerd, wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad [1] lijkt te veronderstellen.
4.5.
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit een deugdelijke medische onderbouwing ontbeert, omdat uit het deskundigenrapport volgt dat appellante op de datum in geding, 5 januari 2021, meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep wordt alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover daarin de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 januari 2021 is vastgesteld op 57,96%. Het Uwv moet opnieuw beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2021 met inachtneming van deze uitspraak. Hieruit volgt dat het Uwv de FML moet aanpassen met de in het deskundigenrapport genoemde aanvullende beperking ten aanzien van werktijden, namelijk maximaal 30 uur per week en zes uur per dag, waarbij appellante na drie uur aaneengesloten werk, twee uur rust moet kunnen nemen en daarna weer drie uur kan werken. Vervolgens zal door middel van een nieuw arbeidskundig onderzoek moeten worden beoordeeld welke gevolgen dit heeft voor de aanspraken van appellante op grond van de Wet WIA. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt) en op € 1.360,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de zienswijze van 8 november 2024, met een waarde van € 907,- per punt), in totaal € 3.174,50. Appellante heeft daarnaast facturen van de door haar ingeschakelde deskundige overgelegd ter hoogte van een totaal van € 4.976,61. Ook deze door het Uwv niet betwiste kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het totaalbedrag aan proceskosten dat het Uwv aan appellante moet vergoeden bedraagt daarmee € 8.151,11. Daarnaast moet het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 mei 2022 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover daarin de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 januari 2021 is vastgesteld op 57,96%;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2021 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 8.151,11;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2204.