ECLI:NL:CRVB:2025:1504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waarna haar uitkering per 29 juni 2024 werd beëindigd. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV aannam, waaronder pijnklachten, mentale klachten en beperkingen bij specifieke functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde het besluit van het UWV in stand. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het medisch en arbeidskundig onderzoek nauwkeurig beoordeelde. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusies onderschreef.
De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en stelde vast dat de geselecteerde functies passend zijn. Ook werd geoordeeld dat de toepassing van de uitlooptermijn bij de beëindiging van de uitkering correct was. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering per 29 juni 2024 bleef gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 29 juni 2024 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.