ECLI:NL:CRVB:2025:1511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant werkte als operator en meldde zich in 2014 ziek met psychische klachten en verslavingsproblemen. Na toekenning van een WIA-uitkering werd deze per 1 augustus 2018 beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant meldde zich in juli 2021 met vermeende toegenomen beperkingen. Het UWV weigerde een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen omdat de beperkingen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkwamen en de mate van arbeidsongeschiktheid onder 35% bleef.
De rechtbank oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten van het UWV overtuigend waren en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor meer beperkingen. Wel werd een motiveringsgebrek vastgesteld, waardoor het besluit werd vernietigd maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten en arbeidskundige gronden.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV: de medische beoordeling was zorgvuldig en de beperkingen waren niet toegenomen uit dezelfde oorzaak. Nieuwe medische informatie gaf geen aanleiding tot andere conclusies. De arbeidsdeskundige had de geschiktheid van functies voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering tot toekenning van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.