ECLI:NL:CRVB:2025:1527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens te late studiefinanciering door minister
Appellant vroeg studiefinanciering aan, die aanvankelijk werd toegekend maar later herzien vanwege niet-inschrijving bij een opleiding. Na bezwaar werd studiefinanciering alsnog toegekend met ingang van 1 september 2021 en uitbetaald over september en oktober 2021.
Appellant vorderde schadevergoeding wegens de te late betaling, maar de minister wees dit af omdat de wettelijke rente lager was dan €10, waardoor geen rente wordt uitgekeerd volgens artikel 4:98 Awb Pro. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de wettelijke rente de volledige vertragingsschade dekt.
In hoger beroep voerde appellant uitzonderlijke omstandigheden aan, zoals gemaakte onkosten en uitschrijving van de studie, maar lichtte deze niet nader toe. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het recht op studiefinanciering niet eerder dan 1 september 2021 kon ingaan, waardoor de rente gering is en geen aanvullende vergoeding nodig is.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen schadevergoeding te betalen.