ECLI:NL:CRVB:2025:1532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WAO-uitkering wegens laattijdige aanvraag en ontbreken arbeidsongeschiktheid in verzekerde periode
Appellant heeft meerdere keren een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) deze aanvragen telkens heeft afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat appellant arbeidsongeschikt is geworden tijdens de verzekerde periode tussen 1990 en 1995. De medische stukken die appellant overlegd heeft dateren van na deze periode en zijn daarom niet relevant voor de beoordeling.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2022 ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten. Appellant stelde dat hij in Nederland ziek is geworden en arbeidsongeschikt is, maar kon dit niet aantonen met relevante documenten uit de verzekerde periode.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit van 5 oktober 2022 vernietigd omdat het Uwv het bezwaar niet op juiste wijze had behandeld. Het Uwv heeft vervolgens een gewijzigd besluit genomen op 1 juli 2025, waarin de afwijzing werd gehandhaafd vanwege het ontbreken van bewijs dat appellant arbeidsongeschikt werd tijdens de verzekerde periode en vanwege de laattijdige aanvraag.
De Raad verklaart het beroep tegen het gewijzigde besluit van 1 juli 2025 ongegrond en bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WAO-uitkering. Appellant krijgt het betaalde griffierecht terug. De medische stukken uit latere jaren zijn niet relevant voor het recht op een WAO-uitkering.
Uitkomst: De WAO-aanvraag van appellant wordt afgewezen wegens ontbreken van bewijs van arbeidsongeschiktheid in de verzekerde periode en laattijdige aanvraag.