ECLI:NL:CRVB:2025:1533

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
24/84 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en medische onderbouwing

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een WIA-uitkering aan appellant, die minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant had zich ziekgemeld na een auto-ongeval en stelde dat zijn medische beperkingen niet correct waren beoordeeld door het Uwv. De Raad oordeelde dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering had toegekend, omdat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was. De rechtbank Limburg had eerder het beroep van appellant ongegrond verklaard, wat door de Raad werd bevestigd. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had gemotiveerd waarom er geen urenbeperking nodig was. Appellant had verzocht om een deskundige te benoemen, maar dit verzoek werd afgewezen. De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren voor appellant en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering.

Uitspraak

24/84 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 december 2023, 23/425 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 oktober 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 20 juli 2022 geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.H.G. Pelzer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 oktober 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pelzer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Het Uwv heeft nadere rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.
Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb is gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als portier/beveiliger en ICT-medewerker voor in totaal gemiddeld 50,49 uur per week. Op 22 juli 2020 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziekgemeld met lichamelijke klachten vanwege een eenzijdig auto-ongeval op 14 juli 2020. Later zijn ook psychische klachten ontstaan. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 juli 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 25 juli 2022 geweigerd appellant met ingang van 20 juli 2022 (datum in geding) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 3 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 22 november 2022 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de omstandigheid dat bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) in juni 2021 door een verzekeringsarts is vastgesteld dat sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, niet zonder meer volgt dat dit ook per 20 juli 2022 het geval is. Er is immers sprake van een herbeoordeling, waarbij de medische situatie van appellant opnieuw en op een nieuwe datum wordt onderzocht en beoordeeld. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van het dossier en het bezwaar van appellant. Hij heeft appellant gesproken op de hoorzitting en hem aansluitend fysiek en psychisch onderzocht op een spreekuur. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennisgenomen van de informatie uit de behandelend sector. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Het staat een verzekeringsarts bezwaar en beroep in beginsel vrij om in bezwaar de FML te wijzigen, mits hij inzichtelijk en deugdelijk motiveert waarom hiertoe wordt overgegaan. Aan die motiveringsplicht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldaan. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellant heeft onderschat. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de arbeidskundige beoordeling onjuist of gebrekkig is.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek door het Uwv onvoldoende zorgvuldig is verricht en dat zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. Hij is het er in het bijzonder niet mee eens dat de urenbeperking tot 30 uur per week die was opgenomen in de FML van 18 juli 2022 in bezwaar is komen te vervallen. Appellant heeft berekend dat als de urenbeperking nog zou gelden, de mate van arbeidsongeschiktheid uit zou komen op 40,69% en hij dus wel in aanmerking zou komen voor een WIA-uitkering. Volgens appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding zou zijn om een urenbeperking aan te nemen. In het feit dat eerder bij de EZWb is vastgesteld dat hij geen benutbare mogelijkheden had, ziet appellant een onderbouwing van zijn standpunt dat zijn beperkingen bij de WIA-beoordeling onjuist zijn vastgesteld. Zijn medische situatie is in de tussentijd niet verbeterd. Appellant heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het verdere verloop van de procedure
3.3.
Tijdens de zitting bij de Raad heeft appellant erop gewezen dat bij hem sprake is van een pijnsyndroom en dat pijnsyndromen volgens de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (de Standaard) aanleiding kunnen zijn voor het stellen van een urenbeperking op basis van de indicatie stoornis in de energiehuishouding. Met partijen is afgesproken dat het Uwv de verzekeringsarts bezwaar en beroep zal vragen om hierop te reageren.
3.4.
In een rapport van 1 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat in de Standaard inderdaad wordt benoemd dat pijn kan leiden tot een dermate groot verlies van energie dat sprake kan zijn van een noodzakelijke urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep blijft echter van mening dat bij appellant geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen. In dit verband heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder andere gesteld dat appellant een fors gespierde man is en dat dit niet in lijn ligt met wat verwacht zou worden bij iemand die veel rust. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat er gedurende het spreekuur geen tekenen van vermoeidheid of pijn waren. Uit de medische informatie van specialisten die in het dossier aanwezig is, blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook niet dat er afwijkingen zijn gevonden die ernstige pijn aannemelijk maken. De behandelaren adviseren appellant om meer te bewegen. Er is geen advies gegeven om op vaste momenten overdag te rusten.
3.5.
Appellant heeft gereageerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 november 2024. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de urenbeperking tot 30 uur per week die was opgenomen in de FML van 18 juli 2022 is komen te vervallen. Volgens appellant doet de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuiste aannames op basis van zijn postuur en was het onderzoek in bezwaar onvolledig. Appellant is van mening dat de combinatie van pijnklachten, beperkte mobiliteit en vermoeidheid zou moeten leiden tot een urenbeperking.
3.6.
De Raad heeft partijen gewezen op hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het Uwv heeft in reactie hierop laten weten geen tweede zitting te wensen. Hierbij heeft het Uwv een rapport van 2 mei 2025 ingediend, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingaat op de reactie van appellant op zijn rapport van 1 november 2024.
3.7.
Ook appellant heeft kenbaar gemaakt dat hij geen behoefte heeft aan een nadere zitting. Hij heeft de Raad verzocht om uitspraak te doen en daarbij het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2025 buiten beschouwing te laten. Appellant is van mening dat er geen mogelijkheid meer was voor het Uwv om inhoudelijk te reageren en dat het meenemen van het rapport van 2 mei 2025 in strijd zou komen met het beginsel van hoor wederhoor.
3.8.
De Raad heeft daarop appellant in de gelegenheid gesteld om nog te reageren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2025. Appellant heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en verder herhaald dat hij geen behoefte heeft aan een tweede zitting. Ook het Uwv heeft desgevraagd laten weten dat hij de eerder gegeven toestemming voor het doen van een uitspraak zonder een nadere zitting handhaaft.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
De Raad ziet geen aanleiding om het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2025 niet bij zijn beoordeling te betrekken, zoals appellant heeft betoogd. Het na de zitting heropende (voor)onderzoek was immers op dat moment nog niet gesloten en appellant is in de gelegenheid gesteld op dit stuk te reageren en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor is daarom geen sprake.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht, wordt onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van de in het dossier aanwezige informatie. Daarnaast is hij aanwezig geweest bij de hoorzitting, waarna aansluitend een medisch spreekuur heeft plaatsgevonden. Tijdens dit spreekuur heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant psychisch en lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende informatie opgevraagd bij de huisarts, waarbij hij onder andere heeft gevraagd om recente brieven van de specialist mee te sturen. De ontvangen informatie is vervolgens door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar betrokken bij de heroverweging in bezwaar. De Raad ziet geen aanleiding om appellant te volgen in zijn standpunt dat het onderzoek in bezwaar onvolledig is geweest.
4.4.
De rechtbank heeft ook terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van FML van 22 november 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn verschillende rapporten uiteengezet dat uit de informatie van de behandelaren blijkt dat uit onderzoeken geen noemenswaardige afwijkingen naar voren zijn gekomen. Ook op zijn eigen spreekuur heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen dusdanige afwijkingen gezien dat daarmee de omvang van de klachten van appellant kan worden verklaard. De klachten zijn geduid als een Whiplash Associated Disorder graad I/II. Er is bij deze problematiek geen gevaar voor beschadiging bij belasting. Wel wordt geadviseerd onder andere zware fysieke belasting te vermijden en te voorzien in werkomstandigheden waarbij regelmatig van houding kan worden gewisseld. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd hoe hij is gekomen tot de door hem vastgestelde beperkingen en waarom hij daarbij op een aantal punten, waaronder de urenbeperking, is afgeweken van de FML van 18 juli 2022. In de rapporten van 1 november 2024 en 2 mei 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht dat pijnsyndromen weliswaar in het algemeen aanleiding kunnen geven voor het stellen van een urenbeperking, maar dat en waarom hiervoor in het geval van appellant geen aanleiding bestaat. De Raad ziet in wat appellant in reactie op deze rapporten heeft aangevoerd geen aanleiding om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen.
4.5.
Dat bij de EZWb in 2021 is vastgesteld dat appellant geen benutbare mogelijkheden had, leidt evenmin tot een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bij de WIA-beoordeling gaat om een nieuwe beoordeling die ziet op een andere datum. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er bovendien terecht op gewezen dat bij de EZWb uitsluitend een telefonisch spreekuur heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft naar aanleiding van dit spreekuur informatie opgevraagd bij de neuroloog en revalidatiearts. Onder het kopje ‘planning’ in diens rapport, heeft de verzekeringsarts vermeld dat na ontvangst en bestudering van de opgevraagde informatie de mogelijkheden voor het verrichten van gangbare arbeid moesten worden beoordeeld. Deze beoordeling heeft, zo begrijpt de Raad, uiteindelijk pas bij de WIA-beoordeling plaatsgevonden.
4.6.
Omdat de daarvoor benodigde twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
4.7.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) N. Ter Heerdt