AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten vrijwillig budgetbeheer wegens voorliggende voorziening
Appellante diende twee aanvragen in voor bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer in 2022 en 2023, welke beide werden afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Venlo. Het college beriep zich op het bestaan van een voorliggende voorziening: een poule van budgetbeheerders van de gemeente, die dezelfde werkzaamheden verricht als de budgetbeheerder van appellante.
De kern van het geschil was of appellante ten tijde van haar aanvragen regelbare schulden had. Voor de aanvraag in 2022 was sprake van een schuld bij een gerechtsdeurwaarder waarvoor een betalingsregeling was getroffen, wat volgens de Raad duidt op een regelbare schuld. Daarmee kon appellante een beroep doen op de poule budgetbeheerders als toereikende en passende voorliggende voorziening.
Voor de aanvraag in 2023 stelde appellante dat zij al haar schulden had afgelost, maar uit stukken bleek dat de aflossing van de schuld aan de gerechtsdeurwaarder pas na de aanvraagdatum had plaatsgevonden. Daarom was ook toen sprake van een voorliggende voorziening. De Raad passeerde een motiveringsgebrek in het tweede besluit met toepassing van artikel 6:22 AwbPro omdat appellante daardoor niet werd benadeeld.
De Raad wees het hoger beroep af, bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten vrijwillig budgetbeheer wordt bevestigd vanwege het bestaan van een passende voorliggende voorziening.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 september 2024, 23/432 en 23/2237 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
SAMENVATTING
In deze zaken gaat het om afwijzing van twee aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer. Uiteindelijk gaat het in beide zaken om de vraag of appellante een beroep kan doen op een voorliggende voorziening in de vorm van een poule van budgetbeheerders vanuit de gemeente Venlo. Appellante meent van niet. Zij krijgt daarin geen gelijk. Wel krijgt appellante een vergoeding van haar proceskosten en het door haar betaalde griffierecht. Het college heeft namelijk ter zitting van de Raad de motivering van de afwijzing van de tweede aanvraag gewijzigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 september 2025. Voor appellante zijn verschenen mr. Verstraten en H.M. Hoogers, budgetbeheerder van appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.M. Pereira Wong-Chung.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Op 21 juni 2022 heeft appellante een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer door haar budgetbeheerder voor het jaar 2022. Appellante heeft daarbij gemeld dat de kosten noodzakelijk zijn omdat zij nog schulden heeft die moeten worden afgelost. Het gaat om een schuld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO-schuld) van € 5.143,27 en om een schuld bij een gerechtsdeurwaarder van € 1.173,95.
1.3.
Met een besluit van 4 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 5 januari 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag – voor zover hier van belang – dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat er een passende voorliggende voorziening voor budgetbeheer beschikbaar is. Appellante heeft regelbare schulden en kan gelet daarop gebruik maken van een poule van budgetbeheerders van de gemeente [woonplaats].
1.4.
Op 5 januari 2023 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer door haar budgetbeheerder, nu voor het jaar 2023. Appellante heeft het college meegedeeld dat zij al haar schulden heeft afgelost. Met een brief van 8 maart 2023 heeft het college om nadere gegevens verzocht, waaronder bankafschriften en een schriftelijke verklaring met verifieerbare bewijsstukken over de wijze waarop appellante haar schulden heeft afbetaald.
1.5.
Met een besluit van 21 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 29 augustus 2023 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van 5 januari 2023 afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat appellante niet duidelijk heeft gemaakt of en, zo ja, hoe zij haar schulden heeft afbetaald in de periode tussen de afwijzing van 4 juli 2022 en de aanvraag van 5 januari 2023.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de afgewezen aanvragen om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bestreden besluit 1 (aanvraag van 21 juni 2022)
4.1.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.2.
Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. De aanvrager van bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is in de zin van artikel 15, eerste lid, van ‒ nu ‒ de PW. Ook dit is vaste rechtspraak. [2]
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de poule van budgetbeheerders van de gemeente [woonplaats] dezelfde werkzaamheden als de budgetbeheerder van appellante verricht en ook niet dat alle inwoners van de gemeente van achttien jaar of ouder, die één of meerdere regelbare schulden hebben, een beroep kunnen doen op de poule van budgetbeheerders van de gemeente [woonplaats]. Regelbare schulden zijn op grond van de beleidsregels schulden die meegenomen kunnen worden in het kader van een schuldregeling. Tussen partijen is niet in geschil dat de poule van budgetbeheerders een voorliggende voorziening is, als ervan moet worden uitgegaan dat appellante één of meer regelbare schulden heeft.
4.4.
In geschil is alleen het antwoord op de vraag of appellante ten tijde van de aanvraag regelbare schulden had. Appellante beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij voert aan dat er niet op de DUO-schuld werd afgelost en de DUO-schuld niet werd ingevorderd. Deze schuld was niet opeisbaar en kan niet worden meegenomen in een schuldhulpverleningstraject. Dit geldt volgens appellante ook voor de schuld aan de gerechtsdeurwaarder, omdat zij voor deze schuld al een regeling had getroffen. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.4.1.
De omstandigheid dat voor de schuld bij de gerechtsdeurwaarder een betalingsregeling was getroffen, duidt erop dat sprake was van een regelbare schuld die kan worden meegenomen in een schuldregeling en daarmee van een regelbare schuld als bedoeld in de beleidsregels. Dat voor de schuld een betalingsregeling is getroffen, verandert niets aan het karakter van de schuld. De vraag of en in hoeverre ook de DUO-schuld een regelbare schuld is, kan gelet hierop onbeantwoord blijven. Appellante kon gelet op de schuld bij de gerechtsdeurwaarder, vanwege het hebben van ten minste één regelbare schuld, een beroep doen op de poule budgetbeheerders van de gemeente. De poule van budgetbeheerders was een toereikende en passende voorliggende voorziening.
Bestreden besluit 2 (aanvraag van 5 januari 2023)
4.4.2.
Tijdens de zitting van de Raad is aan de orde gesteld dat uit de gedingstukken volgt dat de door appellante gestelde laatste aflossing op de schuld aan de gerechtsdeurwaarder op 19 januari 2023 is gedaan. Het college heeft gelet hierop het standpunt ingenomen dat appellante ten tijde van haar aanvraag op 5 januari 2023 nog niet alle schulden had afbetaald, zodat ook deze aanvraag moet worden afgewezen op de grond dat aanspraak bestaat op een voorliggende voorziening in de vorm van de poule van budgetbeheerders. De grondslag van de afwijzing moet daarom, anders dan de grondslag van bestreden besluit 2, niet zijn dat het recht niet kan worden vastgesteld, maar dat appellante geen recht had op bijzondere bijstand voor de gevraagde kosten.
4.4.3.
De in het hoger beroepschrift aangevoerde gronden behoeven gelet op de nadere grondslag geen bespreking. Appellante heeft aangevoerd dat de nu te beoordelen beroepsgronden dezelfde zijn als de gronden die hiervoor bij bestreden besluit 1 zijn beoordeeld. Die gronden slagen ook nu niet. Voor de beoordeling van de aanvraag om bijzondere bijstand is de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag bepalend. Ten tijde van de aanvraag op 5 januari 2023 kon appellante een beroep doen op een voorliggende voorziening die voor haar passend en toereikend is. De aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer voor het jaar 2023 is in zoverre terecht afgewezen.
4.5.
Uit 4.4.2 volgt dat bestreden besluit 2 niet deugdelijk is gemotiveerd. De Raad ziet echter aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, gelet op 4.5.2 met verbetering van gronden. Dit betekent dat de beide afwijzingen in stand blijven.
4.7.
Gelet op de toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb krijgt appellante wel een vergoeding voor haar proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en op € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep), in totaal € 3.628,-. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.628,-;
bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 188,-.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) L. van Beelen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Participatiewet
Artikel 5
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…);
d. bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35 enPro de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36;
e. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
Artikel 15, eerste lid
1. Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Artikel 35, eerste lid
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente [woonplaats] 2021 (vanaf 1 maart 2021)
Artikel 9.3, eerste lid
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor kosten van budgetbeheer voor zover er geen beroep kan worden gedaan op budgetbeheer in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Beleidsregels schuldhulpverlening gemeente [woonplaats] 2021 (geldend van 1 maart 2021 tot 8 juli 2025)
Artikel 1, tweede lid
(...)
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
(...)
b. niet regelbare schulden: schulden die niet meegenomen kunnen worden in het kader van een schuldregeling, omdat de aard van de schuld zich tegen een minnelijke dan wel wettelijke schuldregeling in de zin van een saneringskrediet of schuldbemiddeling verzet;
(…);
e. schuldregeling: een regeling waarbij een maximale terugbetaling wordt gerealiseerd en waar van schuldeisers wordt gevraagd om na verloop van 36 maanden finale kwijting te verlenen in geval van een schuldbemiddeling of voorafgaand aan afkoop in geval van een saneringskrediet.
Artikel 2
Alle inwoners van de gemeente [woonplaats] van 18 jaar en ouder kunnen zich tot het college wenden voor schuldhulpverlening.
Artikel 8
1. De vorm waarin de gemeente schuldhulpverlening aanbiedt, is van meerdere factoren afhankelijk en kan per inwoner verschillen. De factoren die een rol spelen zijn:
a. de aard en omvang van de schulden;
(…).
2. Het aanbod van schuldhulpverlening kan bestaan uit: