ECLI:NL:CRVB:2025:1574

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
25/1269 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft op 14 april 2025 een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 januari 2025, waarin het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2023 was afgewezen.

De Raad heeft verzoeker bij brief van 27 juni 2025 gewezen op de verschuldigdheid van een griffierecht van €143,-, dat binnen 28 dagen betaald moest worden. Omdat de brief aanvankelijk naar een onjuist adres werd gestuurd, is de brief op 25 juli 2025 opnieuw naar het juiste adres verzonden, waarna een nieuwe betalingstermijn is gestart.

Ondanks een herinnering bij aangetekende brief van 25 augustus 2025 is het griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijn. De Raad oordeelt dat verzoeker in verzuim is en verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 28 oktober 2025
25/1269 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 januari 2025, 23/2688
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft via een e-mailbericht van 14 april 2025 verzocht om herziening van de door de Raad op 14 januari 2025 tussen partijen gewezen uitspraak. Bij die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
27juli 2023 niet slaagt, en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:119, tweede lid, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het verzoek om herziening.
Bij brief van 27 juni 2025 is verzoeker erop gewezen dat een griffierecht van € 143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
De brief van 27 juni 2025 is op 18 juli 2025 retour binnengekomen bij de Raad, omdat deze naar een onjuist adres is verstuurd. Eenzelfde brief is op 25 juli 2025 opnieuw naar verzoeker verstuurd, ditmaal naar het juiste adres. Met die brief is een nieuwe termijn gaan lopen voor de betaling van het griffierecht.
Bij aangetekende brief van 25 augustus 2025 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, verzoeker er rekening mee moet houden dat het verzoek om herziening niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest. Het verzoek om herziening is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.