ECLI:NL:CRVB:2025:1599
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting ZW-uitkering en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Werknemer, die zich op 10 juli 2018 ziek meldde, ontving een Ziektewet-uitkering (ZW) die per 9 juli 2019 ongewijzigd werd voortgezet door het Uwv, omdat hij minder dan 65% van zijn loon kon verdienen. Appellante betwistte onder meer de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de medische beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank oordeelde dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht op 10 juli 2018 was vastgesteld en dat de medische beperkingen voldoende waren gemotiveerd. De Raad stelt echter vast dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag geen onderdeel uitmaakt van het geding, omdat het hier gaat om voortzetting van de ZW-uitkering zonder beschikking.
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat de medische beoordeling en de motivering van de beperkingen in de FML toereikend zijn. Een verzoek tot onafhankelijk deskundigenonderzoek wordt afgewezen. Wel wordt de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure en tot vergoeding van proceskosten van € 453,50.
Het hoger beroep wordt afgewezen, waarmee het besluit tot voortzetting van de ZW-uitkering in stand blijft. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 27 oktober 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de voortzetting van de ZW-uitkering per 9 juli 2019 blijft ongewijzigd; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.