ECLI:NL:CRVB:2025:1622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 65,59% per 4 december 2022
Appellante was aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt verklaard met een WIA-uitkering van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling door het UWV, waarbij medische en arbeidskundige onderzoeken werden uitgevoerd, werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65,59% per 4 december 2022. Appellante betwistte deze vaststelling en voerde aan dat haar cognitieve beperkingen en andere klachten onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat het UWV motiveringsgebreken had, met name omtrent de cognitieve klachten en beperkingen zoals trillingsbelasting en omgang met conflicten. Het UWV herstelde deze gebreken met aanvullende medische rapportages en een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stelde appellante dat de medische beoordeling onvoldoende rekening hield met haar schildklierproblemen, cognitieve klachten, rijangst en chronische urticaria. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De Raad vond de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende en wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af. De vaststelling van 65,59% arbeidsongeschiktheid en de geschiktheid van de geselecteerde functies blijven gehandhaafd.
De Raad concludeert dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht is vastgesteld op 65,59%.