ECLI:NL:CRVB:2025:1634

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
25/865 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in WIA-zaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in een WIA-zaak. Het beroepschrift bevatte echter geen inhoudelijke gronden, wat een vereiste is op grond van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Centrale Raad van Beroep heeft appellante meerdere malen in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende beroepsgronden binnen gestelde termijnen aan te vullen, maar appellante heeft hier geen gehoor aan gegeven.

Na het verstrijken van de termijnen ontving de Raad nog een brief van appellante waarin werd aangegeven dat de gronden nog zouden worden verstuurd, maar hier is geen gevolg aan gegeven vanwege het ontbreken van een verontschuldiging voor het verzuim. Gezien het ontbreken van beroepsgronden en het niet nakomen van de hersteltermijnen, verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. F.M. Rijnbeek in aanwezigheid van griffier E.J.E. Veldhuizen en op 13 november 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken verzet open.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet nakomen van hersteltermijnen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2025, UTR 24/6165 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 november 2025

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 25 juni 2025 is appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 28 juli 2025 is aan appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Na het verstrijken van de termijn heeft de Raad op 29 augustus 2025 een brief van appellante ontvangen dat de gronden nog zullen worden verstuurd. Hier heeft de Raad geen gehoor aan gegeven.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van E.J.E. Veldhuizen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.