ECLI:NL:CRVB:2025:1643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met rugklachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast, maar concludeerden dat appellante geschikt is voor bepaalde functies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen groter zijn dan aangenomen en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. Zij overhandigde een brief van haar pijnspecialist en verwees naar haar latere ziekmelding en Ziektewetuitkering. De Raad oordeelde echter dat deze stukken geen nieuwe informatie bevatten over haar situatie op de datum in geding en dat de eerdere medische en arbeidskundige beoordelingen juist en voldoende gemotiveerd zijn.
De Raad concludeert dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat zij op de datum in kwestie verdergaand beperkt was. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarom in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.