ECLI:NL:CRVB:2025:1653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde perioden na verblijf in Nederland
Appellant, geboren in 1956 en afkomstig uit Turkije, heeft een AOW-pensioen aangevraagd dat door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd toegekend met een korting van 48% vanwege niet-verzekerde perioden tussen 1972-1974 en 2000-2022. De Svb stelde vast dat appellant verzekerd was van 2 augustus 1974 tot 31 december 1999 op basis van wonen, werken en het ontvangen van een WAO-uitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen de korting, maar de Svb verhoogde het pensioen slechts tot 52% van het maximale bedrag. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de korting hem in een vernederende situatie bracht in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de korting terecht is toegepast en dat appellant geen aanspraak kan maken op een hoger pensioen. De Raad wijst het beroep op schending van artikel 3 EVRM Pro af, omdat de situatie niet de vereiste ernst bereikt en appellant sinds 1977 in Turkije woont, waar de verantwoordelijkheid ligt voor de bescherming van zijn rechten.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant krijgt geen vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting van 48% op het AOW-pensioen van appellant.