Appellante ontving vanaf 2019 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg trok deze bijstand in 2021 in en vorderde terugbetaling wegens vermoedelijke uitkeringsfraude. Na bezwaar bleef het college bij het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet aanvullende gronden van appellante, ingediend op 9 juli 2023, buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte deze aanvullende gronden buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens artikel 8:58 AwbPro mogen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. De aanvullende gronden werden tijdig ingediend en ontvangen, en er waren voldoende dagen om deze te bestuderen. Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank.
De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor een inhoudelijke beoordeling van alle beroepsgronden. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De Raad zag geen noodzaak voor een zitting en sloot het onderzoek schriftelijk.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 juli 2023, 22/1383 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank de door appellante op 9 juli 2023 ingediende aanvullende gronden van beroep terecht buiten beschouwing heeft gelaten. De Raad volgt appellante in haar standpunt dat de rechtbank deze aanvullende gronden ten onrechte wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten slaagt. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Oztas, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen nadere vragen gesteld. Partijen hebben de vragen beantwoord.
Tevens heeft de Raad partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving sinds 9 mei 2019 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Met een besluit van 24 maart 2021 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 9 maart 2021 ingetrokken.
1.3.
Met ingang van 29 maart 2021 heeft het college appellante opnieuw bijstand toegekend.
1.4.
Het college heeft een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van appellante. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 13 september 2021.
1.5.
Met een besluit van 21 september 2021 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periodes van 1 september 2019 tot en met 31 december 2019, 1 april 2020 tot en met 8 maart 2021 en 29 maart 2021 tot en met 21 september 2021.
1.6.
Met een besluit van 21 oktober 2021 heeft het college de over de periodes van 1 september 2019 tot en met 31 december 2019 en 1 april 2020 tot en met 19 augustus 2021 gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 24.496,90.
1.7.
Na bezwaar is het college met een besluit van 10 februari 2022 (bestreden besluit), onder aanvulling van de motivering, bij de intrekking en terugvordering gebleven. Het college heeft primair aan de intrekking en terugvordering ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de (deels contante) bedragen die zij van haar vader heeft ontvangen. Doordat de omvang van de bedragen onduidelijk is kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Over de periode van 7 mei 2020 tot en met 21 september 2021 heeft het college subsidiair aan de intrekking ten grondslag gelegd dat appellante op geld waardeerbare arbeid heeft verricht waarvan zij, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, geen melding heeft gemaakt bij het college. Voor oktober 2019 geldt subsidiair als grondslag voor de intrekking dat appellante in die maand een contante storting heeft ontvangen die hoger is de voor haar geldende bijstandsnorm Over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 juli 2021 heeft het college (meer) subsidiair aan de besluitvorming ten grondslag gelegd de bijstand moet worden herzien in verband met de ontvangst van middelen.
1.8.
In beroep heeft appellante aanvankelijk alleen gronden aangevoerd tegen de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit. Op 9 juli 2023 heeft appellante ook gronden ingediend tegen de primaire grondslag van het bestreden besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit – zo begrijpt de Raad uit de aangevallen uitspraak [1] – ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank de aanvullende gronden die appellante op 9 juli 2023 ten behoeve van de zitting van 20 juli 2023 heeft ingediend, buiten beschouwing gelaten. Volgens de rechtbank is het meenemen van de gronden van 9 juli 2023 in strijd met de goede procesorde. Appellante heeft de aanvullende gronden weliswaar op 9 juli 2023 ingediend, maar de rechtbank heeft hiervan pas op 10 juli 2023, en dus binnen de tiendagentermijn, kennis kunnen nemen. De primaire grondslag houdt stand omdat appellante niet tijdig daartegen gronden heeft ingediend. Daarom hoeven de gronden die appellante tegen de subsidiaire grondslagen heeft aangevoerd geen bespreking.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De enige beroepsgrond van appellante houdt in dat de rechtbank ten onrechte de op 9 juli 2023 in geding gebrachte aanvullende gronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten. Deze grond slaagt. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. De aanvullende gronden van beroep ten behoeve van de zitting van 20 juli 2023 zijn door appellante op 9 juli 2023 per e-mailbericht ingediend en ook op die datum door de rechtbank ontvangen. De zitting was op 20 juli 2023. Dit betekent dat van 10 tot en met 19 juli 2023 tien dagen beschikbaar waren om de stukken te bekijken. Ook overigens zijn er geen gegronde redenen om de aanvullende gronden van beroep wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.
Conclusie en gevolgen
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het oordeel van de rechtbank niet in stand kan blijven, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Appellante heeft de Raad verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, zodat de rechtbank alsnog een inhoudelijk oordeel kan geven op de aanvullende gronden van beroep. De Raad stelt vast dat de rechtbank nog geen enkel inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de gronden die appellante tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. Dit vormt een belangrijke reden voor de Raad om de zaak niet zelf af te doen en om aan het verzoek van appellante tegemoet te komen. Gelet hierop zal de Raad de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, onder b, van de Awb terugwijzen naar de rechtbank.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.360,50 voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor de gevraagde reactie, € 907,- per punt).
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
wijst de zaak terug naar de rechtbank;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.360,50;
bepaalt dat het college aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:58, eerste lid,
Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
Artikel 8:115, eerste lid,
De hogerberoepsrechter wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de hogerberoepsrechter deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank, onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep, of
b. de hogerberoepsrechter om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.