ECLI:NL:CRVB:2025:1673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellante heeft sinds 2003 bijstand ontvangen en vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was. Appellante maakte bezwaar, maar het college handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
Appellante stelde dat haar woning onbewoonbaar was door mankementen zoals verzakking en vocht, en dat medische omstandigheden en geluidsoverlast haar tot verhuizing noodzaakten. Tevens voerde zij aan dat een ambtenaar van de gemeente Den Haag haar had toegezegd de verhuiskosten te vergoeden. De rechtbank oordeelde echter dat de woning niet onbewoonbaar was en dat medische gegevens geen verband aangaven tussen haar gezondheid en de woonsituatie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan bewijs van toezegging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante in hoger beroep slechts haar eerdere standpunten herhaalde zonder nieuwe gronden aan te voeren. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat een ambtenaar haar een vergoeding had toegezegd. Het hoger beroep werd verworpen en de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand. Appellante kreeg geen vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten blijft in stand.