ECLI:NL:CRVB:2025:1674

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
21/4430 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 PWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en afwijzing bijstand wegens ontbreken verblijfsrecht

Appellant, zonder Nederlandse nationaliteit of EU-burgerschap, verzocht om bijstand en stelde dat hij gelijkgesteld moest worden met een Nederlander op grond van de Participatiewet (PW). De IND wees zijn aanvraag voor een afgeleid verblijfsrecht af, en het college trok de bijstand in en wees een nieuwe aanvraag af. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat hij recht had op bijstand vanwege gelijkstelling met een Nederlander, onder meer op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De Raad vroeg om nadere informatie over de vreemdelingrechtelijke procedures, maar appellant gaf geen nadere toelichting.

De Raad oordeelde dat appellant geen verblijfsrecht had in de relevante periodes en niet voldeed aan de voorwaarden voor gelijkstelling. Het beroep werd afgewezen, de intrekking en afwijzing van bijstand bleven in stand en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De intrekking en afwijzing van de bijstand worden bevestigd wegens ontbreken van verblijfsrecht en geen gelijkstelling met Nederlander.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 4 november 2021, 20/7639 (aangevallen uitspraak 1) en 21/2599 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)
Datum uitspraak: 11 november 2025

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over een intrekking van bijstand en een latere afwijzing van een aanvraag om bijstand. Appellant heeft aangevoerd dat hij recht op bijstand heeft, omdat hij gelijkgesteld moet worden met een Nederlander. De Raad is het niet met hem eens. De hoger beroepen slagen niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Süzen, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft een regiebrief gestuurd met vragen aan partijen. Partijen hebben op deze brief gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft niet de Nederlandse nationaliteit en is ook geen EU-burger. Hij heeft op 1 november 2018 een aanvraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ingediend om afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie. [1] Met een besluit van 4 november 2019 heeft de IND deze aanvraag afgewezen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing.
1.2.
Op 26 februari 2020 heeft appellant een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend. Met een besluit van 19 maart 2020 heeft het college bijstand toegekend met ingang van 18 februari 2020.
1.3.
Met een besluit van 19 maart 2020 heeft de IND het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 november 2019 ongegrond verklaard.
1.4.
Met een besluit van 2 april 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 oktober 2020 (bestreden besluit 1), heeft het college het recht op bijstand vanaf 19 maart 2020 ingetrokken. Het college heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat het feit dat appellant in afwachting was van zijn beroep tegen het besluit van de IND van 19 maart 2020 en een verzoek om een voorlopige voorziening had ingediend, niet betekent dat hij gelijkgesteld moet worden met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de PW.
1.5.
Op 9 juli 2020 heeft appellant opnieuw bij de IND een aanvraag ingediend om afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft.
1.6.
Op 24 augustus 2020 heeft appellant zich opnieuw voor bijstand gemeld en op 1 september 2020 heeft hij daarvoor een aanvraag ingediend. Met een besluit van 8 september 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 18 februari 2021 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft aan bestreden besluit 2, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant kan niet op grond van artikel 11, derde lid, van de PW worden gelijkgesteld met een Nederlander. Er was tijdens de te beoordelen periode, die loopt van 24 augustus 2020 tot en met 8 september 2020, immers geen sprake van een aanvraag om voortgezette toelating of een tijdig bezwaar of beroep tegen de intrekking van de toelating, maar om een nieuwe aanvraag om toelating van appellant. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn minderjarige Nederlandse zoon is dat sprake is van een afgeleid verblijfsrecht en daarmee een mogelijk recht op bijstand.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De Raad stelt voorop dat hij met een regiebrief van 19 mei 2025 aan partijen heeft laten weten hoe hij de geschillen vooralsnog zag. Hierbij zijn aan partijen vragen gesteld over onder meer de afloop van de vreemdelingrechtelijke procedures en de betekenis daarvan voor het recht op bijstand van appellant. Het college heeft gereageerd en daarbij, onder overlegging van nadere stukken, toegelicht wat er na de voorliggende zaken nog is gebeurd met betrekking tot latere bijstandsaanvragen. De gemachtigde van appellant heeft laten weten dat zij al lang geen contact meer heeft met appellant en dat zij daarom niet inhoudelijk kan reageren op de regiebrief. De gemachtigde heeft later desgevraagd telefonisch meegedeeld dat het haar niet is gelukt om contact te krijgen met appellant en herhaald dat zij verder niet kan reageren op de regiebrief.
Bestreden besluit 1
4.2.
Appellant heeft in het aanvullend hoger beroepschrift van 21 januari 2022 aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gelijkgesteld met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de PW. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat er nog een procedure over zijn verblijfsvergunning loopt en dat, als hij met terugwerkende kracht rechtmatig verblijf blijkt te hebben, dit gevolgen kan hebben voor de onderhavige procedure.
4.2.1. Deze grond slaagt niet. Ondanks het verzoek in de regiebrief heeft appellant de Raad niet laten weten hoe zijn vreemdelingrechtelijke procedures zijn geëindigd. Het dossier, inclusief de stukken van latere aanvragen die het college in hoger beroep heeft ingediend, biedt geen enkel aanknopingspunt dat op een later moment alsnog is vastgesteld dat appellant in de hier te beoordelen periode, van 19 maart 2020 tot en met 2 april 2020, een verblijfsrecht had en op grond van artikel 11, tweede of derde lid, van de PW met een Nederlander moet worden gelijkgesteld.
Bestreden besluit 2
4.3.
Appellant heeft in het aanvullend hoger beroepschrift van 20 december 2021 aangevoerd dat hem op grond van het arrest Chavez-Vilchez een afgeleid verblijfsrecht toekomt en op die grond met een Nederlander gelijkgesteld moet worden. Ook heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde van de onderhavige aanvraag in afwachting was van de behandeling van zijn aanvraag om vaststelling van dit afgeleid verblijfsrecht.
4.3.1. Voor zover appellant van opvatting is dat hij aan zijn aanvraag om een afgeleid verblijfsrecht een recht op bijstand ontleent, deelt de Raad die opvatting niet. De Raad heeft eerder overwogen dat een uitsluitend procedureel verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 er niet toe leidt dat de betreffende vreemdeling voor toepassing van de PW met een Nederlander wordt gelijkgesteld. [2] De Raad ziet in het dossier geen reden om in het geval van appellant anders te oordelen.
4.3.2. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij in de hier te beoordelen periode, van 24 augustus 2020 tot en met 8 september 2020, op grond van het arrest ChavezVilchez een afgeleid verblijfsrecht had. De vreemdelingrechtelijke aanvragen die appellant hierover ten tijde van belang heeft ingediend, zijn afgewezen. Ook heeft appellant, ondanks het verzoek daartoe, verder niet toegelicht waarom in de onderhavige procedure tot een andere conclusie moet worden gekomen. De Raad ziet daarom geen reden voor het oordeel dat appellant in de hier te beoordelen periode gelijkgesteld zou moeten worden met een Nederlander in de zin van artikel 11, tweede of derde lid, van de PW.

Conclusie en gevolgen

4.4.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
2.Zie de uitspraken van de Raad van 25 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:454, ECLI:NL:CRVB:2025:455 en ECLI:NL:CRVB:2025:456.