Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Bestreden besluit 1
4.2.1. Deze grond slaagt niet. Ondanks het verzoek in de regiebrief heeft appellant de Raad niet laten weten hoe zijn vreemdelingrechtelijke procedures zijn geëindigd. Het dossier, inclusief de stukken van latere aanvragen die het college in hoger beroep heeft ingediend, biedt geen enkel aanknopingspunt dat op een later moment alsnog is vastgesteld dat appellant in de hier te beoordelen periode, van 19 maart 2020 tot en met 2 april 2020, een verblijfsrecht had en op grond van artikel 11, tweede of derde lid, van de PW met een Nederlander moet worden gelijkgesteld.
Bestreden besluit 2
4.3.1. Voor zover appellant van opvatting is dat hij aan zijn aanvraag om een afgeleid verblijfsrecht een recht op bijstand ontleent, deelt de Raad die opvatting niet. De Raad heeft eerder overwogen dat een uitsluitend procedureel verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 er niet toe leidt dat de betreffende vreemdeling voor toepassing van de PW met een Nederlander wordt gelijkgesteld. [2] De Raad ziet in het dossier geen reden om in het geval van appellant anders te oordelen.
4.3.2. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij in de hier te beoordelen periode, van 24 augustus 2020 tot en met 8 september 2020, op grond van het arrest ChavezVilchez een afgeleid verblijfsrecht had. De vreemdelingrechtelijke aanvragen die appellant hierover ten tijde van belang heeft ingediend, zijn afgewezen. Ook heeft appellant, ondanks het verzoek daartoe, verder niet toegelicht waarom in de onderhavige procedure tot een andere conclusie moet worden gekomen. De Raad ziet daarom geen reden voor het oordeel dat appellant in de hier te beoordelen periode gelijkgesteld zou moeten worden met een Nederlander in de zin van artikel 11, tweede of derde lid, van de PW.