ECLI:NL:CRVB:2025:1677

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
22/1303 WIA-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:51d AwbArt. 8:57 AwbArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid niet deugdelijk gemotiveerd

Appellante kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde deze uitkering per 11 maart 2021 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante betwistte dit en stelde dat zij meer beperkingen heeft, mede door ernstige psychische klachten en lichamelijke aandoeningen.

De rechtbank bevestigde het besluit van het UWV, maar de Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke deskundige die aanvullende beperkingen vaststelde, waaronder een ernstige depressieve stoornis met hallucinaties. De deskundige concludeerde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) moesten worden uitgebreid.

De Raad volgde de deskundige en oordeelde dat het UWV-besluit niet deugdelijk gemotiveerd was en dat het UWV het besluit moest herstellen. De Raad gaf het UWV acht weken om dit te doen. De zaak is hiermee nog niet definitief beslecht, en er is nog geen uitspraak gedaan over proceskosten of schadevergoeding.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering is niet deugdelijk gemotiveerd en het UWV moet het besluit herstellen.

Uitspraak

22/1303 WIA-T
Datum uitspraak: 13 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2022, 21/1376 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de WIA-uitkering per 11 maart 2021 terecht heeft beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. Na benoeming van een deskundige is de Raad tot het oordeel gekomen dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft en dat het bestreden besluit geen stand houdt. De Raad heeft het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G.C. van Ingen hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op de nadere stukken met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 oktober 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ingen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.
Het onderzoek is heropend na de zitting en de Raad heeft drs. M. Roos-Vervoort, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 13 augustus 2024 rapport uitgebracht.
Appellante heeft gereageerd op het deskundigenrapport. Het Uwv heeft rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 november 2024 en 11 februari 2025 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 mei 2023 ingestuurd. Appellante heeft hierop nader gereageerd.
De deskundige heeft bij rapport van 2 juni 2025 gereageerd op de zienwijze van het Uwv. Op dit rapport hebben partijen nadere reacties ingebracht.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen geen behoefte aan een nadere zitting hadden. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker catering voor 25,71 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 9 januari 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
Bij besluit van 17 februari 2020 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering per 9 mei 2020 beëindigd en appellante per die datum in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
1.3.
De ex-werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 februari 2020. Naar aanleiding hiervan heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 juli 2020. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 8,02%. Bij brief van 27 augustus 2020 heeft het Uwv aan appellante en ex-werkgever kenbaar gemaakt voornemens te zijn de WIA-uitkering van appellante te beëindigen. Tegen dit voornemen heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.4.
Vervolgens hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 15 januari 2021 de FML gewijzigd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de nieuwe FML onveranderd een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% berekend. Bij besluit van 27 januari 2021 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 11 maart 2021 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd dat van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden geen sprake is, omdat appellante niet voldoet aan de daartoe geformuleerde uitzonderingscriteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitdrukkelijk rekening gehouden met de verminderde persoonlijke en sociale belastbaarheid van appellante en haar aangewezen geacht op werk waarbij zij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen, zonder veelvuldige storingen/onderbrekingen, zonder veelvuldige deadlines/productiepieken, zonder een hoog handelingstempo, zonder een verhoogd persoonlijk risico, zonder contact met klanten/patiënten, zonder leidinggevende aspecten, emotionele problemen van anderen hanteren en omgaan met conflicten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft genoegzaam toegelicht dat niet wordt betwijfeld dat appellante een depressie heeft, maar dat de claim dat zij rondom de datum in geding leed aan een ernstige depressie niet gevolgd kan worden. Rondom de datum in geding blijkt sprake te zijn van een matige depressie die is gerecidiveerd door de coronaomstandigheden. Uit eerdere verslagen bleek immers dat er sprake is van langdurige matig-depressieve klachten. De term “zeer ernstige stemmingsstoornis” die de huisarts noemt aan de medisch adviseur van de rechtsbijstand is, volgens de huisarts, gebaseerd op de diagnose van Psychologen Nederland. Buiten laatstgenoemde diagnose is de aanduiding ernstige depressie niet meer herhaald, ook niet door de gespecialiseerde GGZAntes (de specialistische gezondheidszorg) die behandeling voorstaat met dagtherapie. Antes heeft geconcludeerd dat dagbesteding appellante zal herstellen en dat daarbij geen verdere specialistische GGZ-begeleiding nodig is. Met de beperkingen in de FML is voldoende tegemoetgekomen aan de psychische klachten van appellante. Wat betreft de lichamelijke klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat uit de onderzoeksresultaten van de reumatoloog volgt dat er geen sprake is van artrose of gegeneraliseerde artrose (behoudens mogelijk van de enkel). Dergelijke afwijkingen zijn niet vastgesteld. De door appellante ervaren klachten worden versterkt ervaren door psychogene componenten en door de somatische symptoomstoornis, wat inhoudt dat de klachten disproportioneel worden ervaren. De ervaren klachten en belemmeringen rechtvaardigen derhalve geen forsere fysieke beperkingen dan reeds aangegeven. Voorts is voldoende gemotiveerd dat voor een urenbeperking geen aanleiding is. Omdat de rechtbank geen reden heeft gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, is ook geen aanleiding gezien om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat qua belasting van de voorgehouden functie als ook qua opleiding en beheersing van de Engelse taal, de mogelijkheden van appellante niet worden overschreden.
Het hoger beroep van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante is al jaren bekend met klachten van het bewegingsapparaat. Na een bedrijfsongeval in 2016 heeft zij chronische hoofdpijn, duizeligheidsklachten, enkelklachten en nek- en schouderklachten. Zij heeft pijnklachten als gevolg van artrose in haar handen en vingers. Daarnaast heeft zij forse depressieve klachten en angstklachten. Appellante heeft voor haar lichamelijke en psychische klachten behandelingen en therapie gevolgd. Bij toekenning van de WIA-uitkering per 9 januari 2018 werd geconcludeerd dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft. Nadien leken haar psychische (angst)klachten iets op te klaren maar door de Covid-19 heeft er een terugval plaatsgevonden waardoor de angstklachten weer dezelfde zijn als voor de behandeling bij de GGZ. Ten onrechte gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het vaststellen van de beperkingen ervan uit dat bij appellante sprake is van een matige depressie. De huisarts heeft in de brief van 3 november 2021 vermeld dat op de datum in geding sprake was van een ernstige depressie. Ook de pijnspecialist heeft, zo blijkt uit de informatie van 26 april 2021, vermeld dat er sprake is van zeer ernstige stemmingsproblematiek en dat gezien de ernst van de depressie en de uiting daarvan een klinische opname mogelijk is geïndiceerd, op grond waarvan de pijnspecialist heeft geconcludeerd dat appellante moet worden doorverwezen naar SGGZ. Uit deze informatie blijkt zonder meer dat bij appellante sprake is van een ernstige depressie op grond waarvan appellante nog altijd volledig arbeidsongeschikt is dan wel er meer beperkingen dienen te worden aangenomen in de rubrieken sociaal en persoonlijk functioneren. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep aanvullende informatie overgelegd van GGZ-Antes van 24 november 2022 waaruit blijkt dat inmiddels ook de diagnose PTSS is gesteld. Hieruit blijkt een ernstiger psychische situatie dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt erkend. Ook moeten er voor haar lichamelijke klachten meer beperkingen worden vastgesteld. Appellante heeft reumaklachten waardoor zij beperkingen heeft aan haar vingers. Ook heeft ze aanzienlijke voetklachten. Uit informatie van 30 november 2022 van de orthopedisch chirurg blijkt dat bij appellante sprake is van osteofyten (botuitsteeksel) en artrose in beide voeten waarmee in de FML onvoldoende rekening is gehouden. Tot slot is ten onrechte geen urenbeperking vastgesteld. Appellante heeft verzocht om benoeming van een deskundige. Gezien haar klachten en beperkingen kan appellante de voor haar geselecteerde functies niet verrichten. De functie productiemedewerker industrie is ook niet geschikt vanwege een goede beheersing van de Engelse taal, omdat in deze functie een vakgerichte opleiding van vier dagen in het Engels gevolgd moet worden. Appellante kan dit niet.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het deskundigenonderzoek
3.3.
Gelet op het voorgaande zijn bij de Raad twijfels ontstaan over de voor appellante per 11 maart 2021 in de FML van 15 januari 2021 vastgestelde beperkingen en heeft de Raad het aangewezen geacht om zich te laten adviseren door een deskundige. Voor wat betreft de lichamelijke problematiek heeft verzekeringsarts Vervoort in haar rapport van 13 augustus 2024 vastgesteld dat per datum in geding sprake is van gonartrose links meer dan rechts, artrose linker enkel, status na tweemaal enkelfractuur, artrose van beide handen en nekklachten. De posttraumatische problematiek van de linkerenkel speelde al per datum in geding. Appellante bezocht hiervoor de huisarts en de pijnspecialist in het EMC. In de brief van 26 april 2021 wordt er een bewegingsbeperking vermeld met een exostose (botaanwas) op aanvullend onderzoek. Gezien deze problematiek dient de FML aangevuld te worden met een beperking op item 3.4.1 beschermende middelen: “beperkt voor het dragen van zwaar schoeisel en/of zwaar (lood)schort” en een beperking op item 4.19.1 klimmen: “kan een huishoudtrap op en af”. Wat betreft de klachten van beide handen werd artrose vastgesteld, zonder neurologische problematiek (normale kracht, normaal gevoel, normale reflexen). Aanvullende beperkingen voor beide handen werden overwogen, maar vanwege het ontbreken van afwijkingen bij het lichamelijk onderzoek rondom datum geding is er volgens de deskundige geen medische grond voor het toekennen van beperkingen in hand- en vingergebruik en/of tastzin. Ook behoeven de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen in dynamische en statische houdingen voor de spiergerelateerde problematiek van nek en schouder, geen nadere beperkingen. Wat betreft de psychische problematiek heeft de deskundige in haar rapport van 13 augustus 2024 vastgesteld dat uit meerdere stukken, waaronder de brief van 25 maart 2021 van de pijnspecialist, de ernst van de psychische situatie van appellante rondom de datum in geding blijkt. De vastgestelde psychotische kenmerken en de hallucinaties wijzen alle op een ernstige psychiatrische stoornis. Appellante was rondom datum in geding ernstig ziek met een duidelijk onvermogen tot realiteitstoetsing, wat door meerdere medici werd vastgesteld. De ernst van de psychiatrische stoornis met psychotische kenmerken leidt tot een situatie van geen benutbare mogelijkheden per datum in geding omdat appellante op macro-, meso- en microniveau disfunctioneert en psychisch niet zelfredzaam is.
3.4.
Partijen hebben hun zienswijze op dit rapport gegeven.
Reactie Uwv op rapport deskundige
3.4.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn reactie van 25 november 2024 te kennen gegeven zich niet met de conclusie van de deskundige te kunnen verenigen ten aanzien van het stellen van de diagnose psychotische stoornis bij een gestoorde realiteitszin en de onderbouwing van het onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat de ernstige psychische stoornis eenmalig door een GZ-psycholoog is gesteld, en niet door een psychiater, terwijl een psychose evident tot de psychiatrische diagnoses behoort. Verder heeft geen van alle andere behandelaars de “hallucinaties” als psychotisch betiteld. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat bij appellante geen sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op basis van een ernstige psychiatrische stoornis. Een onvermogen tot zelfverzorging is bij appellante niet aan de orde. Evenmin blijkt bij appellante sprake van onvermogen tot functioneren in een samenlevingsverband. Hoewel appellante wel moeite heeft met contacten buiten het gezin, blijkt uit de anamnese van appellante geen onvermogen tot sociale contacten buiten het gezin. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van onvermogen tot zelfverzorging, functioneren in het samenlevingsverband en sociale contacten buiten het gezin. Ook is er geen sprake van een ernstige psychische stoornis of een psychotische stoornis met gebrek aan realiteitstoetsing. Gezien het verschil in conclusies over de diagnoses en stoornissen met de deskundige, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de mogelijkheid voorgehouden om een psychiatrische expertise te laten verrichten. De door de deskundige geadviseerde aanvullende lichamelijke beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gedeeltelijk gevolgd. Appellante heeft vanwege een bewegingsbeperking door exostose (botaanwas) wat meer moeite met lopen en pijn bij bewegen. De door de deskundige geadviseerde beperking voor het dragen van zwaar schoeisel en/of zwaar loodschort heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet overgenomen omdat in de geduide functies deze belasting niet voorkomt waardoor deze toevoeging niet relevant is. Wel heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de deskundige gevolgd in de aanpassing van de FML met een beperking op het klimmen en daartoe de FML op 12 februari 2025 aangepast.
Reactie appellante op rapport deskundige
3.4.2.
Appellante heeft te kennen gegeven het eens te zijn met de conclusie van de deskundige dat er op de datum in geding sprake is van geen benutbare mogelijkheden. In reactie op de zienswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante opgemerkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het vaststellen van de beperkingen ten onrechte de belasting in de geduide functies als uitgangspunt neemt. Nu appellante volgens de deskundige beperkt is voor het dragen van beschermende middelen, dient deze beperking in de FML te worden opgenomen.
Aanvullend rapport deskundige na zienswijzen partijen
3.5.
De reacties van partijen zijn voorgelegd aan de deskundige. De deskundige heeft bij brief van 2 juni 2025 gereageerd. De deskundige is, met appellante, van mening dat de beperking “dragen van beschermende middelen”, dient te worden opgenomen in de FML. Wat betreft de ernst van de psychiatrische stoornis heeft de deskundige gehandhaafd dat appellante, gezien de medische informatie, per datum in geding leed aan een ernstige depressieve stoornis met als bijzonder kenmerk het optreden van hallucinaties. Wel heeft de deskundige de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in de opmerking dat het ontbreken van benutbare mogelijkheden op alle niveaus bij appellante niet volledig kan worden aangetoond, gezien de huishoudelijke taken die appellante verrichtte en het koffiedrinken binnen en buitenshuis met anderen. Vanwege de ernst van de psychiatrische stoornis, in combinatie met de door de verzekeringsarts zelf beschreven cognitieve problemen bij alledaagse taken, dienen verdergaande beperkingen in het persoonlijk functioneren te worden vastgesteld op de items 1.1, 1.2, 1.4, 1.6. en 2.5. Deze beperkingen sluiten aan bij de richtlijnen in het CBBShandboek voor toestandsbeelden van een ernstige depressie (met psychotische kenmerken). De deskundige heeft, gezien de aanwezige medische informatie van de behandelend psychologen en psychiaters, geen noodzaak gezien voor een nadere psychiatrische expertise.
Reactie appellante op aanvullend rapport deskundige
3.6.
Naar aanleiding van het aanvullende deskundigenrapport heeft appellante aangevoerd dat zij gezien de ernst van de door de deskundige vermelde psychiatrische stoornis, volledig arbeidsongeschikt is. Hoewel volgens de deskundige niet volledig aan te tonen is dat appellante op alle niveaus niet zelfstandig functioneert, laat dit onverlet dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft, nu bij sommige taken sprake is van een minimaal functioneren en appellante ook ADL-afhankelijk is. Volgens het CBBS is ook bij slechts enig functioneren sprake van geen benutbare mogelijkheden.
Reactie Uwv op aanvullend rapport deskundige
3.7.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om appellante te beperken op het dragen van beschermende middelen. In de FML van 15 januari 2021, geldig per 9 mei 2020, wordt appellante al beperkt geacht voor het tillen en dragen, frequent zware lasten hanteren, het lopen en staan waarbij al rekening wordt gehouden met de beperkingen aan de enkel. Voorts is deze beperking niet relevant omdat in geen van de functies deze belasting voorkomt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de deskundige niet in haar standpunt dat bij appellante sprake is van een ernstige depressieve stoornis, met als bijzonder kenmerk het optreden van hallucinaties. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat zogenaamde rouwhallucinaties bij een verlies veel voorkomen. Deze geven een troostend en geruststellend gevoel in tegenstelling tot de echte psychotische kenmerken bij een depressie, die altijd met angsten en gestoord realiteitsbesef gepaard gaan. Dit laatste is bij appellante niet het geval. Naast [naam] heeft GZ-psycholoog Reijnswoud, een primaire behandelaar, in zijn diagnose vermeld dat er sprake is van psychotische kenmerken. Beiden zijn niet deskundig op het gebied van psychiatrische stoornissen. Dat er sprake is van hallucinaties betekent nog niet dat er ook sprake is van psychotische kenmerken en zegt niets over de ernst.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het besluit om de WIA-uitkering van appellante te beëindigen terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt.
4.3.
Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport, gelezen in samenhang met de aanvulling daarop, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft dossierstudie verricht, bij appellante een anamnese afgenomen en alle in het dossier aanwezige medische informatie in haar beoordeling betrokken. De deskundige heeft in haar rapport van 13 augustus 2024 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd hoe zij vanuit haar expertise tot haar conclusies is gekomen. Hetzelfde geldt voor haar nadere rapport van 2 juni 2025, waarin zij uitvoerig is ingegaan op de reacties van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 november 2024 en van 11 februari 2025. Daarbij heeft zij uitgebreid toegelicht waarom zij bij haar standpunt blijft dat bij appellante op de datum in geding van 11 maart 2021 sprake is van een ernstige depressieve stoornis met als bijzonder kenmerk het optreden van hallucinaties. Dat heeft de deskundige aanleiding gegeven tot aanvullende beperkingen op de FML op de items 1.1, 1.2, 1.4, 1.6 en 2.5. Naast de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep al aangepaste beperking op item 4.19.1 “klimmen, kan een huishoudtrap op en af” heeft de deskundige voorts overtuigend uiteengezet dat de FML ook dient te worden bijgesteld met een beperking voor het dragen van beschermende middelen, item 3.4.1.

Conclusie en gevolgen

5. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek en genomen is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
6. Om tot een definitieve beslechting van het geschil te komen, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe dient een verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML op te stellen die in overeenstemming is met de conclusies van deskundige Vervoort. Vervolgens zal het Uwv moeten bezien welke gevolgen de uitkomst van dit onderzoek heeft voor de aanspraak van appellante op grond van de Wet WIA.
7. Omdat met deze uitspraak nog geen einde aan het geding is gekomen, wordt nog geen oordeel gegeven over de proceskostenvergoeding en het verzoek om schadevergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het hiervoor vermelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D.M.A. van de Geijn