Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:169

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2025
Publicatiedatum
29 januari 2025
Zaaknummer
22/3249 WSFBSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens volledige schuldkwijtschelding

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. Naar aanleiding van het besluit van de minister van 17 september 2024, waarbij de schulden van appellant volledig werden kwijtgescholden, heeft de gemachtigde van appellant het hoger beroep ingetrokken. Hiermee is volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant.

De Centrale Raad van Beroep heeft op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overwogen dat bij intrekking van het beroep wegens volledige tegemoetkoming het bestuursorgaan op verzoek van de indiener in de proceskosten kan worden veroordeeld. De Raad heeft de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in bezwaar, beroep en hoger beroep, alsmede tot vergoeding van de betaalde griffierechten.

De proceskosten zijn begroot op €647,- voor bezwaar, €1.814,- voor beroep en €907,- voor hoger beroep, totaal €3.368,-. Daarnaast moet de minister het griffierecht van €50,- in beroep en €136,- in hoger beroep vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.V. Lenos op 22 januari 2025.

Uitkomst: De minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten na intrekking van het hoger beroep wegens volledige schuldkwijtschelding.

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 januari 2025
22/3249 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
31 augustus 2022, 22/141
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.T. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 18 september 2024 heeft mr. Huisman namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten.
De minister heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De gemachtigde van appellant heeft het hoger beroep ingetrokken naar aanleiding van het besluit van de minister van 17 september 2024, waarbij is besloten dat de schulden van appellant volledig worden kwijtgescholden. Hiermee is de minister volledig aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 647,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift), € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift).
Ook moet de minister het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.368,-;
  • bepaalt dat de minister het door appellant in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
  • bepaalt dat de minister het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) A. Giesen