Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. Naar aanleiding van het besluit van de minister van 17 september 2024, waarbij de schulden van appellant volledig werden kwijtgescholden, heeft de gemachtigde van appellant het hoger beroep ingetrokken. Hiermee is volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant.
De Centrale Raad van Beroep heeft op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overwogen dat bij intrekking van het beroep wegens volledige tegemoetkoming het bestuursorgaan op verzoek van de indiener in de proceskosten kan worden veroordeeld. De Raad heeft de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in bezwaar, beroep en hoger beroep, alsmede tot vergoeding van de betaalde griffierechten.
De proceskosten zijn begroot op €647,- voor bezwaar, €1.814,- voor beroep en €907,- voor hoger beroep, totaal €3.368,-. Daarnaast moet de minister het griffierecht van €50,- in beroep en €136,- in hoger beroep vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.V. Lenos op 22 januari 2025.