ECLI:NL:CRVB:2025:1695

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
24/2669 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:12 lid 1 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering

Appellante, voormalig administratief medewerkster, betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid per 11 maart 2020 en 1 november 2022. Zij stelde dat haar medische beperkingen ernstiger waren dan aangenomen, waardoor zij de geselecteerde functies niet kon vervullen.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Hoewel de rechtbank een motiveringsgebrek constateerde in het bestreden besluit, werd dit gepasseerd. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De medische beoordeling was zorgvuldig en de klachten van appellante kwamen overeen met de rapportages van verzekeringsartsen. De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML’s). Het hoger beroep werd verworpen en de vastgestelde percentages arbeidsongeschiktheid bleven gehandhaafd.

Appellante kreeg geen vergoeding voor proceskosten omdat het hoger beroep niet slaagde. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 november 2025.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 52,91% per 11 maart 2020 en 35,08% per 1 november 2022.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2024, 23/2419, 23/2423 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 november 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht per 11 maart 2020 heeft vastgesteld op 52,91% en per 1 november 2022 op 35,08%. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de arbeidsongeschiktheidspercentages juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 oktober 2025. Voor appellante is verschenen mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als administratief medewerkster voor 32 uur per week. Op 28 augustus 2017 heeft zij zich ziekgemeld met fysieke klachten. Het Uwv heeft aan appellante per 26 augustus 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 54,18%. Per 11 maart 2020 heeft appellante zich na een periode waarin zij een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg ontving, ziekgemeld. Na verzoeken van appellante en van haar werkgever in 2020 en 2022 om herbeoordeling, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in twee Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML) van 26 juli 2022, waarvan één geldend per 11 maart 2020 en één per 18 juli 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij afzonderlijke besluiten van 30 augustus 2022 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 11 maart 2020 op 52,91% (besluit 1) vastgesteld en per 18 juli 2022 op 35,08% (besluit 2).
1.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 29 maart 2023 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de hiertegen door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest nu een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 13 februari 2024 nader heeft gerapporteerd en de FML’s heeft aangepast. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben geen informatie gemist. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Omdat het Uwv pas in beroep een volledige onderbouwing voor het bestreden besluit heeft gegeven, heeft de rechtbank geoordeeld dat dit niet deugdelijk was gemotiveerd en in zoverre in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft deze schending gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar klachten medisch objectiveerbaar zijn en dat haar beperkingen onjuist zijn vastgesteld.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank de bestreden besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Daar wordt aan toegevoegd dat wat appellante aan klachten heeft vermeld, overeenstemt met de klachten die de verzekeringsartsen in hun rapporten van 26 juli 2022, 20 maart 2023 en 13 februari 2024 kenbaar in de afweging hebben betrokken. Het Uwv wordt gevolgd in het in de brief van 10 september 2025 weergegeven standpunt dat de medische informatie die appellante in de beroepsprocedure heeft overgelegd, al uit andere medische informatie bekend was bij de verzekeringsartsen en dat deze al is betrokken bij de beoordeling. Geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat in de FML’s van 14 februari 2024 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante op 11 maart 2020 en 1 november 2022.

Arbeidskundige beoordeling

5.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML’s van 14 februari 2024 wordt geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het recht op een WIA-uitkering van appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 11 maart 2020 is vastgesteld op 52,91% en per 1 november 2022 op 35,08%, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah