ECLI:NL:CRVB:2025:1698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid en medische geschiktheid
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 19 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam. De zaak betreft de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante, die zich op 2 januari 2018 ziekmeldde, betoogde dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad oordeelde echter dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat de medische en arbeidskundige grondslagen voldoende waren onderbouwd. De Raad volgde de conclusie van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat appellante in staat was om de geselecteerde functies te vervullen, uitgaande van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 juli 2021. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep aanvullende medische informatie ingediend, maar de Raad zag hierin geen aanleiding om het eerdere oordeel te herzien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, wat betekent dat de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.