ECLI:NL:CRVB:2025:1743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
24/2228 BESLU-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen executoriaal derdenbeslag op WIA-uitkering afgewezen door Centrale Raad van Beroep

Appellant heeft verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2025, waarin het beroep van appellant tegen het executoriaal derdenbeslag op zijn WIA-uitkering door het UWV kennelijk ongegrond werd verklaard.

Het UWV had op 1 februari 2024 executoriaal derdenbeslag gelegd op de WIA-uitkering van appellant. Het bezwaar van appellant tegen dit beslag werd op 2 april 2024 ongegrond verklaard. Appellant stelde dat hij geen geschil met het UWV had en uitte in het verzet zijn onvrede over de procedure en het beslag.

De Raad overwoog dat het UWV terecht als partij in het geding was aangemerkt en dat de eerdere motivering waarom het beroep kennelijk ongegrond was, niet werd geraakt door de aangevoerde gronden in het verzet. Daarom verklaarde de Raad het verzet ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen het executoriaal derdenbeslag op de WIA-uitkering is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 september 2024, 24/2615 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 november 2025

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 12 maart 2025 heeft de Raad de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 13 oktober 2025. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Het Uwv heeft bij besluit van 1 februari 2024 executoriaal derdenbeslag gelegd op de WIA-uitkering van appellant. Het hiertegen gerichte bezwaar is met een besluit van het Uwv van 2 april 2024 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft appellant daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel, welk beroep heeft geleid tot de aangevallen uitspraak.
De uitspraak van de Raad van 12 maart 2025 berust op de overwegingen dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht tot het oordeel is gekomen dat het Uwv terecht en op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het op de WIA-uitkering van appellant gelegd executoriaal derdenbeslag.
In verzet heeft appellant zijn onvrede geuit over de gang van zaken in deze procedure. Appellant stelt dat hij geen geschil heeft met het Uwv en de uitspraak van 12 maart 2025 alleen daarom al onjuist is.
De gronden van appellant richten zich, naast klachten van appellant over de achtergrond van het ontstaan van de vordering, op het executoriaal derdenbeslag. De rechtbank heeft in verband met dat beslag het Uwv terecht aangemerkt als partij in het geding. In de uitspraak van de Raad van 12 maart 2025 is gemotiveerd waarom het beroep van appellant kennelijk ongegrond is. De door appellant in verzet aangevoerde gronden raken die motivering niet, waarbij de Raad mede betrekt dat appellant onder meer heeft gesteld geen geschil met het Uwv te hebben.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
De Raad begrijpt uit het verzetschrift van 11 april 2025 en de aanvullingen daarop van
9 juli 2025 dat appellant ook om een voorlopige voorziening heeft gevraagd. Omdat het verzet ongegrond is, komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
- verklaart het verzet ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) J. Bonnema