Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
9 juli 2025 dat appellant ook om een voorlopige voorziening heeft gevraagd. Omdat het verzet ongegrond is, komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2025, waarin het beroep van appellant tegen het executoriaal derdenbeslag op zijn WIA-uitkering door het UWV kennelijk ongegrond werd verklaard.
Het UWV had op 1 februari 2024 executoriaal derdenbeslag gelegd op de WIA-uitkering van appellant. Het bezwaar van appellant tegen dit beslag werd op 2 april 2024 ongegrond verklaard. Appellant stelde dat hij geen geschil met het UWV had en uitte in het verzet zijn onvrede over de procedure en het beslag.
De Raad overwoog dat het UWV terecht als partij in het geding was aangemerkt en dat de eerdere motivering waarom het beroep kennelijk ongegrond was, niet werd geraakt door de aangevoerde gronden in het verzet. Daarom verklaarde de Raad het verzet ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen het executoriaal derdenbeslag op de WIA-uitkering is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.