ECLI:NL:CRVB:2025:1761

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
23/859 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 5 Wet WIAArtikel 6 lid 1 Wet WIAArtikel 19 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen per 7 december 2020 en geen ziekengeld per 14 januari 2021, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn en geschikt voor zijn eigen werk. Het UWV baseerde dit op medische en arbeidskundige onderzoeken, waarbij functies passend werden geacht.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zorgvuldig en consistent werd beoordeeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat er sprake is van objectiveerbare klachten die tot meer beperkingen leiden, waaronder een urenbeperking en samenwerkingsproblemen.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die beperkingen vaststelde op het gebied van aandacht, emotie- en agressieregulatie en samenwerking, maar concludeerde dat deze beperkingen passen binnen de eerder vastgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde dit standpunt. Ook de arbeidsdeskundige achtte de geselecteerde functies passend.

De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

23/859 WIA
Datum uitspraak: 26 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 februari 2023, 21/2104 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 7 december 2020 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en terecht geen ziekengeld heeft toegekend per 14 januari 2021, omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering en geen ziekengeld heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Met een besluit van 9 oktober 2020 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Bij besluit van 8 februari 2021 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 30 juni 2021 (bestreden besluit) bij de weigering van de uitkeringen gebleven.
Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld en nadere stukken ingebracht. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 september 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De Raad heeft dr. J.J.D. Tilanus, psychiater, benoemd als onafhankelijke deskundige. De deskundige heeft op 22 april 2024 een rapport uitgebracht.
Appellant heeft gereageerd op het deskundigenrapport. Het Uwv heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Appellant heeft op dit rapport gereageerd en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als grondkabelwerker/assistent monteur voor 38 uur per week. Op 25 januari 2016 heeft hij zich ziekgemeld met fysieke en psychische klachten. Bij besluit van 18 december 2017 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen. Het door appellant hiertegen ingestelde bezwaar en daaropvolgend ingestelde beroep zijn ongegrond verklaard.
1.2.
Op 10 december 2018 heeft appellant zich ziekgemeld vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet WIA had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 oktober 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor de maatgevende arbeid. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 9 oktober 2020 geweigerd appellant met ingang van 7 december 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 14 januari 2021 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van WW ontving. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 februari 2021 geweigerd ziekengeld aan appellant toe te kennen omdat hij arbeidsgeschikt wordt geacht voor zijn eigen werk. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende beperkingen aangenomen en neergelegd in de FML van 22 juni 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geselecteerde functies onveranderd geschikt geacht. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en heeft de bezwaren van appellant bij de beslissing op bezwaar van 30 juni 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle beperkingen van appellant en de gegevens uit het dossier betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden uitgelegd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de verzekeringsartsen niet te volgen in hun conclusies. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsartsen een onjuist beeld hebben gehad van zijn fysieke en psychische gezondheidstoestand en heeft geen twijfel gezaaid over de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsartsen onvoldoende aandacht hebben besteed aan de klachten van appellant. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van de voorgaande WIA-beoordeling overgenomen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende beperkingen aangenomen en geconcludeerd dat de in het kader van de voorgaande WIA-beoordeling geselecteerde functies onverminderd geschikt zijn
.De rechtbank heeft daarom geen reden gezien om aan te nemen dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Appellant heeft in beroep geen aanvullende (medische) gegevens ingebracht die grond zouden kunnen zijn om te oordelen dat het medisch oordeel niet juist is. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te oordelen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Het Uwv heeft dan ook voldoende duidelijk onderbouwd dat appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.
Het hoger beroep van appellant
3.1.
Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Tot op heden heeft hij fysieke en psychische klachten door een bedrijfs- en motorongeval en zijn gezondheidssituatie is verslechterd. Er is sprake van objectiveerbare klachten die moeten leiden tot meer beperkingen. Ook is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Appellant heeft zich aanvullend op het standpunt gesteld dat de deskundige meer beperkingen heeft aangenomen die ten onrechte niet zijn overgenomen door het Uwv. Zo is hij niet in staat om samen te werken. Daarom zijn de geduide functies niet passend.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om geen WIA-uitkering toe te kennen en om een ZW-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Medische beoordeling
4.2.
De Raad heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de medische situatie van appellant op de in geding zijnde data een onafhankelijke deskundige geraadpleegd.
4.3.
De deskundige heeft op 22 april 2024 een rapport uitgebracht en hierin geconcludeerd dat bij appellant op de in geding van belang zijnde data, 7 december 2020 en 14 januari 2021, sprake was van een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis en een periodiek explosieve stoornis, bij een persoonlijkheid met cluster B trekken. De deskundige heeft beschreven dat appellant nog licht tot matig (in de range niet, licht, matig, ernstig, volledig) beperkt is ten aanzien van het kunnen vasthouden en verdelen van de aandacht bij taken of activiteiten. Hij is daarom aangewezen op een meer voorspelbare werkomgeving, zonder al te veel afleiding en bij voorkeur met een laagdrempelige, begripvolle en coachende leidinggevende. Ook is sprake van matige tot ernstige (in de range niet, licht, matig, ernstig, volledig) beperkingen ten aanzien van de emotie- en agressieregulatie, zodat appellant is aangewezen op een structuur biedende omgeving met een laagdrempelige, begripvolle en coachende leidinggevende. In geval van een (dreigende) agressieve ontregeling is het van belang dat appellant kan worden opgevangen en kan worden weggehouden van potentieel gevaarlijke materialen of apparatuur. Deze beperkingen worden vermoedelijk nog gecompliceerd door bepaalde cluster B (antisociale) trekken van zijn persoonlijkheid en daarmee zijn er bij appellant ook enkele beperkingen ten aanzien van het op een gangbare wijze kunnen samenwerken, bijvoorbeeld met collega’s of leidinggevenden.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 14 juni 2024, in reactie op het rapport van de deskundige, geconcludeerd dat het rapport van de deskundige geen aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit rapport toegelicht dat eerder, in 2020, ook een psychiatrisch rapport over appellant is opgesteld, waarvan de conclusies vergelijkbaar zijn met het rapport van de deskundige. Verzekeringsarts bezwaar en beroep J.A. Nillesen heeft op 22 juni 2021 de FML nog iets aangepast. De door de deskundige aangegeven beperkingen komen volledig overeen met de door verzekeringsarts bezwaar en beroep Nillesen aangenomen beperkingen.
4.5.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige van 22 april 2024 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt voorts gevolgd in de conclusie dat de beperkingen in de FML van 22 juni 2021 overeenkomen met de door de deskundige genoemde beperkingen. In de FML van 22 juni 2021 is onder meer een beperking aangenomen voor het vasthouden van aandacht, waarbij is beschreven dat de aandacht gedurende minstens een half uur vasthouden, de maximale prestatie is voor appellant. Ook is appellant aangewezen op een voorspelbare werksituatie en is hij beperkt voor het hanteren van emotionele problemen van anderen, het uiten van eigen gevoelens, omgaan met conflicten en samenwerken. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat daarmee onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten.
4.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt ook gevolgd in de conclusie dat geen aanleiding bestaat om verdergaande beperkingen aan te nemen voor rugklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 13 mei 2025 geconcludeerd dat appellant al langer bekend is met rugklachten en dat in verband daarmee ook beperkingen zijn aangenomen. In oktober 2024, dus ruim na datum in geding, blijkt uit het röntgenonderzoek dat in 2024 sprake was van matig ernstige degeneratieve rugafwijkingen. Vanwege een toename van de klachten in 2024 heeft appellant daarvoor enkele maanden ziekengeld ontvangen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in het oordeel dat deze foto’s geen aanleiding geven om aan te nemen dat appellant in 2020 en 2021 ook meer beperkt was.
Arbeidskundige beoordeling
4.7.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 juni 2021 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met het rapport van 28 juni 2021 voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen en de weigering een ZWuitkering toe te kennen in stand blijven.
6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage

Artikel 5 van Pro de Wet WIA
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA
De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Artikel 19 van Pro de ZW
1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
(…)
4. Voor de toepassing van deze wet worden onder ziekte mede verstaan gebreken.
5. Ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 wordt onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In afwijking van de eerste zin wordt indien de verzekerde de arbeid gedurende minder dan een week heeft verricht en daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden andere arbeid heeft verricht onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor de andere arbeid die in die zes maanden hoofdzakelijk is verricht.