Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen per 7 december 2020 en geen ziekengeld per 14 januari 2021, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn en geschikt voor zijn eigen werk. Het UWV baseerde dit op medische en arbeidskundige onderzoeken, waarbij functies passend werden geacht.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zorgvuldig en consistent werd beoordeeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat er sprake is van objectiveerbare klachten die tot meer beperkingen leiden, waaronder een urenbeperking en samenwerkingsproblemen.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die beperkingen vaststelde op het gebied van aandacht, emotie- en agressieregulatie en samenwerking, maar concludeerde dat deze beperkingen passen binnen de eerder vastgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde dit standpunt. Ook de arbeidsdeskundige achtte de geselecteerde functies passend.
De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.