1.2.Bij besluit van 29 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. In verband met de knieklachten van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar beperkingen aan de FML toegevoegd voor traplopen, lopen tijdens het werk, staan tijdens het werk, knielen of hurken en geknield of gehurkt actief zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de maatgevende arbeid gewijzigd en op basis van de gewijzigde FML van 23 juli 2024 de geschiktheid van de geselecteerde functies beoordeeld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat, ondanks het vervallen van één van de geselecteerde functies, appellante met de resterende functies onveranderd minder dan 35% arbeidsongeschikt blijft.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante op de datum in geding en verdergaande beperkingen had moeten aannemen dan de beperkingen die zijn neergelegd in de FML van 23 juli 2024. Het standpunt van appellante dat zij geen productiewerk kan verrichten omdat haar rechterarm helemaal niet functioneert en haar linkerarm slecht functioneert, heeft de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 23 juli 2024 heeft overwogen dat de primaire arts op basis van de beschikbare verzekeringsgeneeskundige gegevens tot een plausibel en consistent oordeel heeft kunnen komen over de belastbaarheid bij appellante. Vanwege de pijnklachten van de nek bij een status na een operatie in verband met de nekhernia in 2018 en daarnaast de klachten van pijn en krachtverlies in de rechterhand bij een status na de operatie aan CTS en carpal bossing, zijn door de primaire arts beperkingen aangegeven ten aanzien van zwaar arm-/handbelastend werk rechts, klimmen en boven schouderhoogte actief zijn. Deze beperkingen zijn conform de beperkingen zoals aangegeven bij de Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb), waarbij door de primaire arts in de FML enkele toelichtingen zijn toegevoegd ter verduidelijking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om verdergaande beperkingen aan te nemen ten aanzien van de nek- en arm-/handklachten. Omdat de primaire arts bij het lichamelijk onderzoek geen krachtverlies kon objectiveren, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er met deze beperkingen ruimhartig tegemoetgekomen is aan de klachten van krachtverlies en het uit haar handen laten vallen van dingen. Appellante heeft, naar het oordeel van de rechtbank, geen stukken overgelegd die aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep doen twijfelen. De e-mail die appellante in beroep heeft overgelegd, waarin zij haar situatie uitlegt, bevat geen nieuwe informatie over de datum in geding, waardoor deze niet aan de beoordeling door de verzekeringsartsen kan afdoen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 23 juli 2024 heeft de rechtbank in wat appellante heeft aangevoerd geen reden gezien om de geschiktheid van de geselecteerde functies in twijfel te trekken. Voor zover appellante heeft gesteld dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten omdat haar rechterarm helemaal niet functioneert en haar linkerarm slecht functioneert, geldt dat dit standpunt voortvloeit uit haar opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank is die opvatting niet juist. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 juli 2024 voldoende uitgelegd waarom de functies geschikt zijn voor appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij is afgekeurd voor haar eigen werk en dat zij thans volgens de artsen werk kan verrichten, dat precies hetzelfde is als het werk waarvoor zij wordt afgekeurd. Als zij thans in staat wordt geacht diverse werkzaamheden te verrichten in een fabrieksmatige setting, had zij net zo goed goedgekeurd kunnen worden voor het werk dat zij tot voor kort nog deed. Appellante heeft dit aangevoerd, maar het Uwv en de rechtbank gaan hierop niet diep in. Uitsluitend wordt gekeken of de vinkjes goed staan, maar het argument van appellante dat zij aan het eind van de rit wordt goedgekeurd voor werk waarvoor zij eerst is afgekeurd, wordt niet met argumenten gemotiveerd weerlegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.