1.3.Bij besluit van 6 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante aansluitend op de hoorzitting van 21 december 2023 medisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medische informatie bij de huisarts van appellante opgevraagd en ontvangen en geconcludeerd dat de beperkingen en mogelijkheden van appellante op datum in geding op de juiste wijze zijn aangegeven in de FML van 8 maart 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er geen aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 10,36% is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek verricht. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de psychische beperkingen van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat hij heeft onderzocht wat mogelijk was, maar dat de toestand van appellante verder onderzoek niet toeliet. Omdat er een verslechtering leek te zijn opgetreden sinds de eerdere beoordeling, heeft hij informatie van de huisarts opgevraagd om de situatie op de datum in geding vast te stellen. De rechtbank heeft in wat appellante in beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv te twijfelen. Ook in de brief van de anesthesioloog-pijnspecialist drs. W. ter Woerds van 11 december 2023 is onvoldoende reden gezien voor twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv. De anesthesioloogpijnspecialist heeft appellante het advies gegeven om zich met fysiotherapie te richten op spierversterkende oefeningen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hieruit afgeleid dat het voor appellante goed en niet schadelijk is om gedoseerd te bewegen. Naar het oordeel van de rechtbank is afdoende gemotiveerd waarom in de FML ten aanzien van de datum in geding niet meer beperkingen zijn aangenomen voor de psychische klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op het spreekuur van 21 december 2023 geprobeerd om appellante psychisch te onderzoeken, maar de toestand van appellante liet verder onderzoek niet toe. Na ontvangst van de informatie van de huisarts kwam hij tot de conclusie dat, hoewel appellante forsere psychische klachten aangaf en psychisch minder goed overkwam, uit de informatie van de huisarts niet bleek dat haar psychische toestand objectief is verslechterd. In beroep is vervolgens in het rapport van 9 september 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat met de aangenomen beperkingen voldoende tegemoet is gekomen aan de klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de brief van de huisarts van 8 september 2023 geen medische onderbouwing gezien voor de aanwezigheid van ernstige psychische problematiek, zeker niet op de datum in geding. Ook ten aanzien van de duurbelasting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom niet meer beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 januari 2024 opgemerkt dat hij de richtlijnen uit de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid heeft gevolgd en dat de ernst van de psychische problemen op de datum in geding niet zodanig was dat deze een energetische indicatie voor een urenbeperking gaf. De slaapproblemen die appellante heeft aangegeven, vormen eveneens geen reden voor een energetische indicatie. Deze worden mede veroorzaakt door inactiviteit overdag. Er is ook geen verminderde belastbaarheid door behandeling of een preventieve reden voor een urenbeperking. Ook in het rapport van 9 september 2024 is de verzekeringsarts op de duurbelasting ingegaan. Medisch kan niet onderbouwd worden dat appellante onvoldoende energie heeft om te kunnen werken door haar medicatie. Quetiapine en oxycodon kunnen inderdaad als bijwerking slaperigheid en sufheid geven, maar vooral in de eerste weken van gebruik. Het gebruik van deze medicatie geeft geen reden om niet deel te kunnen nemen aan het arbeidsproces. Met het medicatiegebruik is verder volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep al rekening gehouden door beperkingen aan te nemen voor werk met verhoogd persoonlijk risico, beroepsmatig vervoer, een hoog handelingstempo en door fysieke beperkingen aan te nemen. Van de andere medicatie die appellante gebruikt, is niet bekend dat je er moe van kunt worden. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan deze toelichting. Uitgaande van de juistheid van de FML van 8 maart 2023 heeft de arbeidsdeskundige voldoende toegelicht waarom de geselecteerde voorbeeldfuncties van administratief medewerker (SBC-code 315133), administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en telefonist (SBC-code 315174) passend zijn voor appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Eerst in beroep is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgelegd waarom een psychisch onderzoek in bezwaar achterwege is gebleven. Volgens appellante is het onderzoek niet zorgvuldig geweest. Haar verslechterde medische situatie is door het Uwv onvoldoende beoordeeld. Vanwege deze significante wijziging in de medische situatie had de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledig en actueel psychologisch onderzoek moeten verrichten. Het enkele opvragen van informatie bij de huisarts voldoet niet aan deze verplichting. Als de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel een psychisch onderzoek had gedaan, had kunnen worden vastgesteld dat er aanwijzingen zijn voor een evidente, ernstige psychische stoornis bij appellante zoals in de door appellante aangeleverde medische documenten naar voren komt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.