Uitspraak
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 2012 ziekgemeld en ontving vanaf 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering. Na een melding van verslechterde gezondheid in februari 2022 onderzocht het UWV haar situatie opnieuw en wijzigde de uitkering naar een IVA-uitkering met ingang van 8 februari 2022.
Appellante stelde dat zij reeds vanaf 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat de ingangsdatum van de IVA-uitkering daarom met terugwerkende kracht moest worden vastgesteld, op grond van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Zij voerde aan dat eerdere verkeerde diagnoses adequate behandeling hadden belemmerd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij de ingangsdatum van 8 februari 2022 werd bevestigd. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en stelde dat niet is aangetoond dat appellante vóór 8 februari 2022 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. De medische en arbeidskundige onderzoeken uit 2014 en de periode daarna ondersteunen dit niet.
De Raad concludeerde dat de toepasselijkheid van de hardheidsclausule niet aan de orde is omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een bijzonder geval. Het hoger beroep van appellante faalde, waardoor de ingangsdatum van de IVA-uitkering op 8 februari 2022 blijft staan.
Uitkomst: De ingangsdatum van de IVA-uitkering wordt bevestigd op 8 februari 2022 wegens ontbreken van eerdere volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.