ECLI:NL:CRVB:2025:180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling arbeidsongeschiktheid op 73,03% en vergoeding proceskosten na hoger beroep
Appellante betwistte de door het Uwv vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 41,04% per 7 mei 2020 en stelde dat zij meer beperkingen had dan aangenomen. Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de rechtbank die het Uwv-standpunt bevestigde, stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die een uitgebreider onderzoek verrichtte en aanvullende beperkingen vaststelde. Op basis hiervan stelde het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar vast waarin de arbeidsongeschiktheid werd verhoogd naar 73,03%. Appellante bleef echter van mening dat haar beperkingen nog zwaarder waren.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend was en dat het Uwv de juiste mate van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld. De geselecteerde functies waren passend en de bezwaren van appellante werden niet gegrond verklaard. De Raad vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen de gewijzigde beslissing ongegrond en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 73,03% per 7 mei 2020 blijft in stand en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.