Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake een WIA-zaak. Tijdens de procedure wijzigde het UWV de beslissing op bezwaar bij nadere besluiten van oktober en december 2024, waardoor het bezwaar van appellant volledig werd gehonoreerd. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De Raad stelde vast dat op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in bezwaar op verzoek van de indiener kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad begrootte de proceskosten op €4.535,- voor beroep en hoger beroep, inclusief punten voor het indienen van stukken en reageren op deskundigenrapporten.
Daarnaast werd de vergoeding van een factuur van een deskundige van €3.081,58 inclusief BTW geaccepteerd, aangezien het uurtarief binnen de toegestane grenzen viel. Ook werd het door appellant betaalde griffierecht van €186,- toegewezen. De totale proceskostenvergoeding aan appellant bedroeg daarmee €7.616,58.
De zaak werd zonder zitting behandeld omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 december 2025.