ECLI:NL:CRVB:2025:1806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en arbeidsvermogen in verzekerde periode
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan wegens vermeerd arbeidsongeschiktheid vanaf haar achttiende verjaardag tot vijf jaar daarna. Het UWV stelde dat zij in deze periode wel arbeidsvermogen had en weigerde de uitkering. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig waren, en dat appellante pas vanaf juni 2020, buiten de verzekerde periode, haar arbeidsvermogen verloor.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij haar arbeidsvermogen al binnen de verzekerde periode had verloren en overlegde aanvullende medische stukken. De Raad oordeelde dat deze stukken geen nieuw beeld gaven en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de verslechtering pas na de verzekerde periode plaatsvond.
De Raad concludeerde dat appellante niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en dat het UWV terecht de Wajong-uitkering heeft geweigerd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten wegens het niet slagen van het beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid binnen de verzekerde periode.