Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen waren onderschat en dat zij niet in staat was om in een reguliere werkomgeving te werken.
De Centrale Raad van Beroep benoemde deskundigen, waaronder een psychiater en verzekeringsartsen, die zorgvuldige en consistente rapporten opstelden. De deskundigen concludeerden dat appellante een lichte verstandelijke beperking heeft, maar geen psychiatrische stoornis die tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidt. De arbeidsdeskundige stelde passende functies vast die appellante zou kunnen vervullen, resulterend in een arbeidsongeschiktheidspercentage van ongeveer 32%.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht geen WIA-uitkering toekende, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek in hoger beroep gepasseerd omdat het geen nadelige gevolgen had voor appellante. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.