ECLI:NL:CRVB:2025:1870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als pedagogisch medewerkster en meldde zich in 2014 ziek. Het UWV weigerde vanaf 2016 een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na meerdere ziekmeldingen en medische beoordelingen stelde het UWV op 14 juli 2022 opnieuw een weigering vast. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar rechtbank en Raad bevestigden het besluit.
De medische beoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen concludeerde dat appellante beperkingen heeft, maar niet in die mate dat zij recht heeft op een WIA-uitkering. De geduide functies zijn passend geacht gezien haar opleidingsniveau en vaardigheden. Appellante voerde aan dat haar fibromyalgie en andere klachten waren toegenomen en dat er onjuiste maatstaven werden gehanteerd, maar deze argumenten werden door de Raad niet gevolgd.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende en inzichtelijk had gemotiveerd waarom geen verdere urenbeperking werd aangenomen en dat de medische en arbeidskundige rapporten de weigering rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.