Appellant was sinds 2012 gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Het UWV stelde in 2020 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 65,30%, later gewijzigd naar 63,27% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij zwaarder beperkt was door psychiatrische aandoeningen.
De Raad benoemde twee psychiaters als onafhankelijke deskundigen, die concludeerden dat appellant op de datum in geding (11 augustus 2020) ernstiger beperkingen had dan het UWV aannam, waaronder een ernstige chronische depressie en een vermijdende persoonlijkheidsstoornis. De Raad volgde deze deskundigen en oordeelde dat het UWV-besluit onvoldoende medisch was onderbouwd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij de FML en arbeidskundige beoordeling in lijn moeten zijn met het deskundigenrapport. Het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente werd afgewezen omdat het nieuwe besluit nog moet worden genomen. Wel werd een vergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief kosten voor de ingeschakelde arts en griffierechten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het eerdere besluit vernietigd.