ECLI:NL:CRVB:2025:1890

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
25/2070 PW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening wegens gebrek aan spoedeisend belang in sociale zekerheidszaak

In deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2025, met zaaknummer 25/2070 PW-VV, wordt het verzoek van de verzoeker om een voorlopige voorziening afgewezen. De verzoeker had een verzoek ingediend vanwege inhoudingen op zijn bijstandsuitkering in verband met een derdenbeslag. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is aangetoond. De verzoeker heeft geen controleerbare gegevens overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat hij in financiële nood verkeert. De enkele beweringen dat hij onvoldoende middelen heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien en dat zijn financiële situatie een gezondheidsrisico vormt, zijn onvoldoende om het spoedeisend belang te onderbouwen. De voorzieningenrechter wijst erop dat de rechtbank in een eerdere uitspraak de verzoeker niet heeft aangemoedigd om een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, maar enkel heeft gewezen op de rechtsmiddelen die beschikbaar zijn. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen noodzaak is voor de gevraagde voorziening en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

25/2070 PW-VV
Datum uitspraak: 16 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
SAMENVATTING
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening te treffen vanwege inhoudingen op de bijstandsuitkering in verband met een derdenbeslag. De voorzieningenrechter wijst het verzoek bij gebrek aan een spoedeisend belang af.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 september 2025, 25/4136. Tevens heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De Raad heeft verzoeker met een brief van 16 oktober 2025 gevraagd naar het actuele – financiële – spoedeisend belang en dit te onderbouwen. Verzoeker heeft hierop met een brief van 17 oktober 2025 gereageerd.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Verzoeker ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Op basis van een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2023 heeft een gerechtsdeurwaarder van [naam bedrijf] ( [naam bedrijf] ) op 22 januari 2024 ten laste van verzoeker executoriaal derdenbeslag gelegd onder de gemeente Rotterdam in verband met een openstaande vordering van [naam Zorgverzekeraar] N.V. Volgens het beslagexploot bedraagt het door verzoeker te betalen bedrag € 1.854,62.
1.3.
Met een besluit van 31 januari 2025, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 april 2025 (bestreden besluit), heeft het college aan verzoeker bekendgemaakt dat vanaf 31 januari 2025 maandelijks een bedrag van € 67,27 zal worden ingehouden op de bijstandsuitkering van verzoeker en dat de ingehouden bedragen eenmaal per jaar in de maand mei worden afgedragen aan Inkassier. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat het college verplicht is om volledige medewerking te verlenen aan een derdenbeslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat hij binnen de kaders van het beslag is gebleven.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van verzoeker
3. Verzoeker heeft in zijn hogerberoepschrift verzocht zijn hoger beroep mede te beschouwen als een verzoek om voorlopige voorziening. De reden hiervoor ligt volgens verzoeker in de directe en ingrijpende gevolgen die de huidige situatie voor hem heeft. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het college ten onrechte maandelijks bedragen inhoudt op zijn bijstandsuitkering en bovendien in juni zijn vakantiegeld heeft ingehouden.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
4.3.
De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Een dergelijk belang kan worden aangenomen als door het bestreden besluit een betrokkene schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten.
4.4.
Met een brief van 16 oktober 2025 heeft de griffier van de Raad aan verzoeker gevraagd naar het spoedeisend belang en dat te onderbouwen met objectieve en verifieerbare stukken. In zijn reactie op deze brief heeft verzoeker gesteld dat sprake is van onrechtmatige inhoudingen op zijn bijstandsuitkering. Als gevolg hiervan beschikt hij niet over voldoende middelen om in zijn basisbehoeften te voorzien. Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat de voortdurende financiële druk zijn gezondheid ernstig beïnvloedt en dat medisch specialisten hem nadrukkelijk hebben gewaarschuwd dat stress als gevolg van financiële onzekerheid een aanzienlijk gezondheidsrisico vormt. Ook heeft hij gesteld zijn verzoek te hebben ingediend op aanbeveling van de rechtbank die in de uitspraak van 29 september 2025 te kennen zou hebben gegeven dat hij, gelet op de spoedeisendheid van de zaak, een verzoek om voorlopige voorziening kan indienen.
4.5.
Dat sprake is van een spoedeisend belang zoals bedoeld in 4.3 volgt niet uit wat verzoeker in dat kader naar voren heeft gebracht. Verzoeker heeft ondanks een daartoe strekkend verzoek geen controleerbare gegevens overgelegd ter ondersteuning van het spoedeisend belang. De enkele stellingen van verzoeker dat hij over onvoldoende middelen beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien en dat zijn huidige onzekere financiële situatie volgens medisch specialisten een aanzienlijk gezondheidsrisico vormt, zijn daarvoor onvoldoende. Verder is van een aanbeveling van de rechtbank om een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen en een oordeel van de rechtbank over de spoedeisendheid geen sprake. De rechtbank heeft verzoeker onder de uitspraak slechts gewezen op de rechtsmiddelen die verzoeker kan aanwenden.
4.6.
Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht.

Conclusie en gevolgen

5. Uit 4.5 en 4.6 volgt dat er wegens het ontbreken van een spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Het verzoek is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak zal doen zonder zitting.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls