ECLI:NL:CRVB:2025:1902

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
22/3479 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

Appellant heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure tegen de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het hoger beroep werd ingetrokken na een tegemoetkomend besluit van de minister, waarbij ook proceskosten en wettelijke rente reeds waren vergoed.

De Raad heeft vastgesteld dat de totale duur van de procedure, inclusief bezwaar, beroep en hoger beroep, iets meer dan vier jaar bedroeg, waardoor de redelijke termijn met minder dan een maand werd overschreden. De zaak werd niet als complex aangemerkt en er waren geen bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigden.

Op grond van de jurisprudentie is een vergoeding van €500 passend voor een termijnoverschrijding van een half jaar of gedeelte daarvan. Daarnaast worden de proceskosten van appellant begroot op €453,50 en aan de Staat toegekend. De Raad heeft het verzoek tot schadevergoeding en kostenvergoeding toegewezen en de Staat veroordeeld tot betaling van deze bedragen.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding en €453,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 december 2025
22/3479 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om schadevergoeding in het geding tussen:
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G. Smouter, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 februari 2025 heeft mr. Smouter namens appellant het hoger beroep ingetrokken, onder handhaving van het verzoek om de minister te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade van appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op 16 april 2025 heeft hij tevens verzocht om vergoeding van de kosten voor de daarvoor verrichte proceshandeling.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De minister is volledig aan appellant tegemoetgekomen en heeft daarbij proceskosten, griffierecht en wettelijke rente vergoed. In deze uitspraak is alleen nog het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de orde.
2.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
2.2.
Als de intrekking van een hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit, eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. [2] Ook uit andere omstandigheden kan worden afgeleid dat een bestuursorgaan aan een belanghebbende tegemoetkomt en de spanning en frustratie dus niet kan worden geacht nog door te lopen, in welk geval de redelijke termijn op dat moment eindigt. [3]
3. In de gevallen vermeld onder 2.2 moet de Raad binnen een jaar na de intrekking van het hoger beroep uitspraak doen. [4]
4. De minister heeft het bezwaarschrift van appellant ontvangen op 30 november 2020. De minister is met een besluit van 24 december 2024 aan appellant tegemoetgekomen. Het hoger beroep is op 24 februari 2025 ingetrokken. De Raad heeft binnen een jaar na de intrekking van het hoger beroep uitspraak gedaan. Uitgaande van deze gegevens is in dit geval de redelijke termijn van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens met iets minder dan een maand overschreden. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van appellant geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-. De termijnoverschrijding wordt in zijn geheel aan de Staat toegerekend. Tevens is er aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een wegingsfactor van 0,5, met een waarde per punt van € 907,-).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) P. Boer

Voetnoten

1.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
3.Vgl. Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.
4.Vgl. CRvB 24 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3341.