ECLI:NL:CRVB:2025:219
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning AOW-pensioen naar gehuwdennorm ondanks betwisting gezamenlijke huishouding
Appellant maakte bezwaar tegen de toekenning van een AOW-pensioen naar de gehuwdennorm door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Hij stelde dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-partner en dat hij daarom recht had op een alleenstaand pensioen. De Raad oordeelde dat appellant en zijn ex-partner wel degelijk een gezamenlijke huishouding voeren, aangezien zij samenwonen, hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie kinderen zijn geboren.
Appellant verleende zorg aan zijn ex-partner meerdere dagen per week en verbleef vrijwel continu in haar woning, waar ook zijn persoonlijke spullen lagen. Zijn eigen woning verhuurt hij en gebruikt hij slechts beperkt. De Raad hechtte aan deze feiten het gewicht dat de woning van zijn ex-partner het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven vormde.
Het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW was van toepassing vanwege het gezamenlijk hebben van kinderen, ongeacht hun leeftijd of verblijfssituatie. De eerdere toekenning van bijstand aan de ex-partner als alleenstaande was niet relevant voor de beoordeling.
Het hoger beroep werd verworpen, de gehuwdennorm bleef van toepassing en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd openbaar gedaan op 14 januari 2025 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de toekenning van het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm blijft in stand.