Appellante kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen stelde het Uwv vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de uitkering werd beëindigd per 12 mei 2023.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen, met name aan handen en vingers en door PTSS, onvoldoende waren meegenomen en dat een onafhankelijke deskundige benoemd moest worden. De rechtbank oordeelde echter dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren onderbouwd en wees het beroep af.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De Raad vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat heeft vastgesteld en dat het expertiserapport van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts geen nieuwe medische feiten bevat die tot een ander oordeel leiden. Wel veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten wegens het niet beslissen op het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige door de rechtbank.